Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
ex aequo et bonote beperken tot € 7.000,-. Zo komt het hof aan het bedrag van € 6.000,- (hoofdsom) dat [verweerder] aan de boedel moet vergoeden.
3.Algemeen kader
TenneT/ABBuit 2016 hiervan uitdrukkelijk afstand genomen. [7] De Hoge Raad heeft in dat arrest art. 6:100 BW Pro als volgt uitgelegd:
[.../...]uit 2000 betreft de verkoop van een verhuurd appartementencomplex. […] komt als koper niet tijdig zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst na en de verkoper, […], vordert betaling van de wettelijke rente over de koopsom vanaf de datum van de overeengekomen overdracht. De koper stelt vervolgens dat de verkoper over de periode waarin het complex nog niet was overgedragen huurinkomsten heeft genoten en beroept zich dienaangaande op voordeelstoerekening. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van het vereiste van ‘een zelfde gebeurtenis’ het volgende:
[…]/TSNuit 2009 is volgens de Hoge Raad niet voldaan aan de voorwaarde dat de schade en het voordeel zijn veroorzaakt door ‘een zelfde gebeurtenis’. Het gaat in die zaak om TSN en vervoerder […] die een overeenkomst voor de duur van ten minste vijf jaar zijn aangegaan voor reparatie en onderhoud door TSN van opleggers van […]. Na twee jaar ontbindt […] het contract, echter ten onrechte. TSN vordert wegens deze wanprestatie schadevergoeding, bestaande uit de over de resterende contractsduur gederfde winst. […] betoogt dat deze schadevergoeding moet worden verminderd met de winst die TSN heeft gegenereerd uit na de ontbinding met andere partijen gesloten overeenkomsten. De Hoge Raad oordeelt dat de schade en het voordeel niet voortvloeien uit ‘een zelfde gebeurtenis’ in de zin van art. 6:100 BW Pro:
[…]/Dexiagaat de Hoge Raad reeds soepeler om met het vereiste van ‘een zelfde gebeurtenis’. Die zaak gaat over een belegger die verschillende overeenkomsten tot effectenlease heeft gesloten en met een restschuld is blijven zitten. Een aantal van die overeenkomsten is geëindigd met een winst en een aantal andere met een schuld. Ten aanzien van alle contracten heeft de bank zijn precontractuele zorgplichten geschonden. De belegger vordert schadevergoeding voor het geleden verlies en de bank beroept zich op toerekening van voordelen uit de contracten met positieve resultaten. De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van afzonderlijke transacties, maar dat dit niet maakt dat geen sprake is van ‘een zelfde gebeurtenis’ in de zin van art. 6:100 BW Pro. [16] Dit arrest bevat de opmaat voor de ruimere uitleg in het reeds genoemde arrest
TenneT/ABBuit 2016. [17]
Dexia/[…]uit 2017. [18]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.3dat het hof heeft miskend dat het verkopen en leveren van de Kia Sorento aan een derde moet worden aangemerkt als de schadeveroorzakende handeling, terwijl het gestelde voordeel voortvloeit uit de inruil van de Mercedes Vito. Dit maakt dat de door [A] geleden schade en het door haar genoten ‘voordeel’ niet voortvloeien uit ‘een zelfde gebeurtenis’ in de zin van art. 6:100 BW Pro. Vervolgens klaagt het middel dat voor zover het hof dit niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
dient als vaststaand feit te worden aangenomen dat de Kia Sorento door [verweerder] onrechtmatig aan het vermogen van [A] is onttrokken en [verweerder] deze hangende de procedure bij het hof aan een derde heeft verkocht. De schade die hierdoor aan de zijde van [A] is ontstaan heeft [verweerder] aan de curator te vergoeden. (…).”
teruggave van de Kia Sorento, althans vergoeding van de schade als gevolg van de handelswijze van [verweerder] met betrekking tot de inruil van de auto.’ Het ging [A] dus om teruggave van de auto of vervangende schadevergoeding. [verweerder] had immers de Kia Sorento die hij in gebruik had na zijn ontslag niet ingeleverd, terwijl deze auto eigendom was van [A] en daarom bij het einde van het dienstverband behoorde te worden ingeleverd. [19] Ook hieruit blijkt dat in de ogen van [A] de schade reeds is ontstaan door de inbezitneming van de Kia Sorento en niet pas nadien door de verkoop van de auto aan een derde.
de onrechtmatige inbezitneming door [verweerder] van de Kia Sorento (het zonder recht of titel onder zich houden van die auto)’ en dat dit ook moet worden aangemerkt als de schadeveroorzakende gebeurtenis, niet berust op een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is.
onder 2.3dat het hof heeft miskend dat voordeel op grond van art. 6:100 BW Pro alleen verrekend dient te worden voor zover dit redelijk is. In het bijzonder heeft het hof miskend dat de mate van verwijtbaarheid van het normschendende handelen een belangrijke rol dient te spelen bij de beoordeling van de vraag of het redelijk is tot voordeelstoerekening te komen. Daarbij wijst het middel onder 2.10-2.13 op de strekking van art. 6:135 sub b BW Pro [20] en art. 54 Fw Pro, waarbij het aangeeft dat deze bepalingen in het onderhavige geval niet rechtstreeks van toepassing zijn. Voor zover het hof een en ander niet heeft miskend, is zijn oordeel ter zake onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus het onderdeel.
TenneT/ABBoverwogen dat, als aan de voorwaarde van ‘een zelfde gebeurtenis’ is voldaan, vervolgens een redelijkheidstoets moet worden uitgevoerd. Voordeelstoerekening vindt alleen plaats voor zover dat redelijk is. Of voordelen in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de te vergoeden schade, dient te worden beoordeeld met inachtneming van de in art. 6:98 BW Pro besloten maatstaf. [21]
Verhaeg/Jenniskensuit 2010 heeft de Hoge Raad invulling gegeven aan de redelijkheid. [22] De vraag was of een uitkering uit een sommenverzekering die door de aansprakelijke werkgever zelf is afgesloten als voordeel in mindering dient te worden gebracht op de schadevergoeding aan de werknemer. De Hoge Raad noemt een aantal uitgangspunten die in aanmerking moeten worden genomen indien bij letselschade een verzekeringsuitkering aan de orde is. Een van de uitgangspunten, die ook voor de onderhavige zaak relevant is, is dat de rechter betekenis kan toekennen aan de mate van verwijtbaarheid. [23] De Hoge Raad overweegt: