Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof ontoereikend gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat van voorbedachte raad sprake is (feit 1).
Bewijs.
BFK: het slachtoffer) liep een boksbeugel en handschoenen aan deed en zich daarmee voorbereidde op het plegen van geweld tegen [slachtoffer] . Vervolgens heeft hij direct bij het binnentreden in de woning het slachtoffer een vuistslag gegeven. Hij had op weg naar de woning van het slachtoffer voldoende tijd zich te beraden op het te nemen of genomen besluit. Uit niets blijkt dat hij daarbij heeft gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Ook overige contra-indicaties voor het aannemen van handelen met voorbedachten rade zijn de rechtbank niet gebleken.
deste opmerkelijk, gelet op de weersomstandigheden. Daarnaast heeft de rechtbank de verklaring van [getuige 1] in de overweging betrokken, die verklaarde dat hij zag dat verdachte handschoenen aandeed toen zij vanaf de auto naar de woning van [slachtoffer] liepen en later zag dat verdachte een boksbeugel om had en af deed. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het gelet op de relatief koude temperatuur op 16 mei 2016 niet zonder meer opmerkelijk was dat verdachte handschoenen aandeed, overweegt het hof bovendien nog dat het in dat geval wel degelijk opmerkelijk is dat verdachte deze handschoenen niet al binnen in de auto aandeed, maar pas onderweg van de auto naar de woning van [slachtoffer] .
(het hof begrijpt: [getuige 1] )en [verdachte]
(het hof: verdachte)zag en dat hij geslagen werd (…). Bij zijn aangifte - waar [slachtoffer] voor het eerst een uitgebreide en gedetailleerde verklaring heeft afgelegd - verklaarde hij voorts dat hij zag dat verdachte eerst naar binnen ging en dat verdachte een mes in de vorm van een boksbeugel om zijn hand had (…). [getuige 1] verklaarde zowel bij gelegenheid van zijn eerste als zijn tweede politieverhoor dat verdachte als eerste de woning binnenging, dat hij zag dat verdachte [slachtoffer] aanvloog/sloeg en dat hij zag dat verdachte een boksbeugel in/om zijn hand had (…). Gelet op de voorgaande consistentie, de omstandigheid dat [slachtoffer] en [getuige 1] onafhankelijk van elkaar op essentiële punten gelijkluidend hebben verklaard en nu het hof ook overigens geen reden ziet om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] en [getuige 1] afgelegde verklaringen, gaat het hof uit van de juistheid van voornoemde verklaringen. De omstandigheid dat getuige [getuige 2] heeft gezien dat [getuige 1] mogelijk ook een wapen bij zich droeg, doet niet af aan de betrouwbaarheid van voornoemde verklaringen inhoudende dat verdachte een wapen bij zich droeg.’
NJ2014/156 m.nt. Keulen een algemene vooropstelling gewijd aan het bestanddeel voorbedachte raad:
NJ2016/462 m.nt. Wolswijk, waarop ook de steller van het middel wijst. In die zaak had het hof de verdachte veroordeeld wegens poging tot moord. Het hof had vastgesteld dat de verdachte en het slachtoffer ruzie hadden gehad en uiteen waren gegaan zonder hun meningsverschil op te lossen. De verdachte had zich met een auto naar huis laten brengen, had zich daar omgekleed en was enige tijd later met een keukenmes teruggekeerd naar de plek waar het slachtoffer zich bevond. Het slachtoffer verklaarde dat hij door een getuige was vastgepakt en dat deze getuige tegen hem had gezegd dat de verdachte van plan was om te steken. Het slachtoffer had geprobeerd te vluchten, maar de verdachte was achter hem aangegaan en had vervolgens ‘zonder aarzeling of waarschuwing het slachtoffer meermalen in zijn borstkas gestoken’. Het hof oordeelde dat was komen ‘vast te staan dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, terwijl van contra-indicaties die zouden moeten leiden tot een ander oordeel niet is gebleken. Zo is niet gebleken dat de besluitvorming en uitvoering in ogenblikkelijke gemoedsopwelling of een plots opkomende drift hebben plaatsgevonden, of dat slechts sprake is geweest van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat dan wel andere feiten en omstandigheden die een contra-indicatie vormen voor handelen na kalm beraad en rustig overleg zijdens de verdachte.’ Uw Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel dat de voorbedachte raad kon worden bewezenverklaard ontoereikend had gemotiveerd. Daarbij nam Uw Raad in het bijzonder in aanmerking dat ‘het Hof slechts in algemene bewoordingen heeft overwogen dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit om de aangever te steken met een mes, maar niets heeft vastgesteld over het moment waarop de verdachte dit besluit heeft genomen of over het tijdsverloop dat met die besluitvorming gemoeid is geweest’. Daaraan deed niet af dat het hof had vastgesteld dat de verdachte zich eerder naar huis had laten brengen en enige tijd later was teruggekeerd naar de plek waar het slachtoffer zich bevond.