Conclusie
advocaat mr. P.S. Kamminga
(hierna: de VvE)
1.Feiten
via de achtergelegen schacht te laten lopen. De binnenmaat van de schacht biedt voldoende ruimte om hier een RGA kanaal in te monteren. (…)
2.Procesverloop
(1) het besluit onder agendapunt 5 van de algemene vergadering van eigenaren van 27 juni 2017 te vernietigen,
(2) voor recht te verklaren dat het voorstel onder agendapunt 5 aan de hand van 20 stemmen voor, 9 tegen en 1 ongeldig met 30 uitgebrachte stemmen, als verworpen is aan te merken,
met veroordeling van de VvE in de kosten van het geding, met uitdrukkelijke bepaling dat [verzoeker] niet direct of indirect in de kostenveroordeling hoeft bij te dragen.
Het hof heeft daartoe, samengevat, als volgt overwogen en geoordeeld:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdelen 1 en 2zijn gericht tegen rov. 27 en bevat rechtsklachten en een motiveringsklacht tegen de toepassing van de – op zichzelf in cassatie onbestreden – maatstaf bij de uitleg van art. 37 lid 8 van Pro het splitsingsreglement.
Onderdeel 3is gericht tegen rov. 19 en bevat een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof dat een gebrek in de besluitvorming dat inhoudt dat een vereiste gekwalificeerde meerderheid niet is gehaald, niet kan worden geschaard onder de in art. 2:15 BW Pro bedoelde schending van bepalingen ‘die de totstandkoming van een besluit regelen’.
Onderdeel 4is gericht tegen rov. 29 en bevat een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat het argument van [verzoeker] dat het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat hij gevaar en overlast zal ondervinden, niet opgaat.
‘Regeling omtrent het gebruik, het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken’. In art. 6 lid 1 MR Pro 1973 is bepaald dat iedere op-, aan- of onderbouw zonder toestemming van de vergadering is verboden. Voorts is in art. 8 MR Pro 1973 bepaald dat de vereniging het beheer voert over de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken met inachtneming van het in art. 37 bepaalde Pro.
‘voor besluiten tot verbouwing of voor besluiten tot het aanbrengen van nieuwe installaties of tot het wegbreken van bestaande installaties, voor zover deze niet als een uitvloeisel van het normale beheer zijn te beschouwen’.
technische installaties met de daarbij behorende leidingen’.
besluiten met een zeker ingrijpend karakter. Zo besliste het hof Arnhem dat het plaatsen van een eenvoudige traplift niet is aan te merken als een installatie in de zin van art. 37 lid 8 van Pro het splitsingsreglement. Overwogen werd als volgt: [9]
ingrijpende omvang.
financiële ingrijpendheidvan het besluit zich verhoudt met het feit dat in lid 5 ook al is voorzien in een gekwalificeerde meerderheid voor besluiten tot het doen van uitgaven die een bepaald bedrag te boven gaan. Het ligt dan niet zonder meer voor de hand om aan te nemen dat een ingrijpend financieel karakter een (laat staan doorslaggevende) factor is bij beantwoording van de vraag of een besluit onder de reikwijdte van art. 37 lid Pro 8 (art. 38 lid 8 van Pro het modelreglement 1992) valt. [12]
In de onderhavige zaak staatniet – meer [14] – ter discussie dat de voorliggende oplossing voor de rookgasafvoer van [betrokkene 1] via de ventilatieschacht mag worden gerealiseerd, indien de VvE daarvoor (rechtsgeldig) toestemming heeft verleend. Het gaat er enkel om óf met het onderhavige besluit die toestemming is verleend, anders gezegd: of voor die toestemming kan worden volstaan met een gewone meerderheid, of dat daarvoor een gekwalificeerde meerderheid is vereist.
alle‘besluiten tot verbouwing’ en ‘besluiten tot het aanbrengen van nieuwe installaties of het wegbreken van bestaande installaties’ geldt dat zij met een gekwalificeerde meerderheid moeten worden genomen. Van deze regel worden immers uitgezonderd besluiten die als een uitvloeisel van het normale beheer zijn te beschouwen. Verder is te constateren dat de begrippen ‘verbouwing’ en ‘installaties’ niet zijn gedefinieerd in het splitsingsreglement. Wel is uit de opsomming in art. 2, aanhef en onder b van het splitsingsreglement af te leiden dat bij ‘technische installaties’ wordt gedacht aan installaties met een gemeenschappelijk karakter en een substantiële omvang, waarvan de aanleg of wijziging ingrijpend is. Ten slotte is op te merken dat in de systematiek van het MR 1973, waarop het in deze zaak toepasselijke splitsingsreglement is gebaseerd, besloten ligt dat de hoofdregel is dat besluiten met een gewone meerderheid kunnen worden genomen (art. 36 lid 1 MR Pro 1973). Het nemen van besluiten met een gekwalificeerde meerderheid is de uitzondering. Mede gelet op de in art. 37 lid 5 MR Pro 1973 neergelegde uitzondering dat voor besluiten tot het doen van uitgaven die een bepaald bedrag te boven gaan (waarop overigens een uitzondering geldt als voldaan is aan de in art. 37 lid 6 genoemde Pro voorwaarden), is het aannemelijk dat (ook) voor art. 37 lid 8 MR Pro 1973 geldt dat niet iedere verbouwing of ieder aanbrengen van nieuwe of wegbreken van bestaande installaties onder die bepaling is te brengen, maar dat ook daar een zekere drempel geldt. De ratio daarvan is dat het besluitvormingsproces in de VvE niet onnodig belast of gecompliceerd moet worden.
daardoorart. 37 lid 8 MR Pro 1973 niet van toepassing is. [16] De slotzin van art. 37 lid 8 MR Pro 1973 laat, integendeel, zien dat ook als de kosten niet over alle eigenaars worden omgeslagen, op grond van deze bepaling een gekwalificeerde meerderheid vereist kan zijn. De opmerking in
Asser/Bartels & Van Velten, dat
“deze bepaling, gezien de context, niet is bedoeld voor installaties die niet door de eigenaren worden bekostigd”, lijkt mij dan ook niet juist. [17]
Onderdeel 1 faalt gelet op het voorgaande in zijn geheel.
vernietigingvan een besluit van de vergadering van eigenaars, moet dat op grond van art. 5:130 lid 1 BW Pro – in afwijking van art. 2:15 lid 3 BW Pro – in een verzoekschriftprocedure aan de kantonrechter worden voorgelegd. Overigens geldt dan ook een korte termijn voor het aanhangig maken van de procedure en een afwijkende hogerberoepstermijn (lid 2 en 3).
tevens beroept op de nietigheid van dat besluit, beide aspecten in de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter aan de orde kunnen worden gesteld. De procedure niet hoeft te worden gesplitst (om het beroep op nietigheid in een afzonderlijke procedure door de rechtbank te laten beoordelen). Argumenten van proceseconomische aard verzetten zich tegen splitsing van de procedure. Er zouden dan immers twee procedures zijn over hetzelfde besluit. Daarom is in zo’n geval de kantonrechter ook bevoegd om te beslissen over het (samenhangende) beroep op nietigheid. Ook het hof is in de onderhavige uitspraak hiervan uitgegaan, zo volgt uit rov. 21.
verzoekwordt uitgesproken door de rechter (mijn onderstreping) (zie artikel I onder N). Verder wordt in art. 93 een Pro nieuwe categorie door de kantonrechter te behandelen en beslissen ‘aardvorderingen’ geïntroduceerd, namelijk zaken betreffende appartementsrechten die vermeld zijn in (o.m.) de artikelen 5:129 lid 3 en 5:130 lid 1 BW (zie artikel II). In laatstgenoemde bepaling zou dan de afzonderlijke verwijzing naar de kantonrechter kunnen komen te vervallen (zie artikel I onder H). In de toelichting op de voorgestelde wijzigingen wordt gesignaleerd dat kantonrechters die verzoeken tot nietigverklaring krijgen voorgelegd, daar op verschillende wijzen mee omgaan en dat met de wijziging wordt tegemoetgekomen aan een sinds jaar en dag bestaande roep uit de praktijk van VvE-juristen ‘
alle VvE-zaken naar de sector kanton en nietigheid bij verzoekschrift’om aan dit onderscheid een einde te maken. [25] Wat de huidige stand van zaken van dit initiatief is, is niet bekend.
blijkt dat de beoogde afvoer van de rookgassen via een aan te brengen kanaal in de ventilatieschacht en de aangepaste schoorsteen wettelijk is toegestaan en voldoet aan de NEN-normen. Uit de notulen van de VvE vergadering van 27 juni 2017 blijkt bovendien dat het rapport toen uitgebreid is toegelicht door [betrokkene 3] van PBS. Daarbij heeft [betrokkene 3] , naar aanleiding van vragen van [verzoeker] , bevestigd dat hij met 100% zekerheid kan garanderen dat er geen schadelijke gassen bij de dakkapel van [verzoeker] naar binnen kunnen komen. [verzoeker] heeft hiertegenover van zijn kant niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld dat er voor hem toch gevaar of overlast zal optreden danwel dat [betrokkene 3] van PWS[PBS, A-G]
onvoldoende deskundig zou zijn om te oordelen over deze kwestie.”
gevaarvan schadelijke gassen – niet deugdelijk redengevend is wat betreft het beroep van [verzoeker] op
overlast, waarover noch de vergadering noch [betrokkene 3] zich heeft uitgelaten,
‘in het bijzonder in het kader van de notulen van de vergadering van 27 juni 2017’. [26]
“13. [verzoeker] heeft tegen deze “oplossing” bezwaar nu hij is bevreesd voor overlast en gevaar als gevolg van rookgasafvoer afkomstig uit de cv van [betrokkene 1] ingeval deze “oplossing” zou worden gevolgd, komend uit bedoelde schoorsteen op de ventilatieschacht rechtstreeks naast het raam van de slaapkamer met alle gevaar en risico’s van dien.
af te leiden dat de ventilatieschacht 1-steens is aangebracht en ook blijkens het gestelde onder 5 in het rapport niet geschikt is om direct rookgas in te blezen terwijl de binnenmaat van de schacht niet meer beloopt dan 15 tot 20 cm (…). In zoverre zou de “oplossing” ook niet van risico’s zijn ontbloot van gevolgen te ondervinden in het naast gelegen (aangrenzend) appartement (huisnummer 51, appartement A12), de aan weerszijden van de schacht gelegen appartementen op de tweede verdieping (…) en de appartementen gelegen op de derde verdieping met vliering [adres] van [verzoeker] (…)”
“10. Het gaat niet aan dat [verzoeker] opgezadeld zou moeten worden met overlast van de rook/gas van [betrokkene 1] samenhangend met de ligging van zijn dakkapel (…)”
- de omstandigheid dat uit het rapport van PBS blijkt dat de beoogde afvoer wettelijk is toegestaan en voldoet aan de NEN-normen, alsmede
- de bevestiging van [betrokkene 3] dat hij met 100% zekerheid kan garanderen dat er geen schadelijke gassen bij de dakkapel van [verzoeker] naar binnen kunnen komen,
niet althans onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat er voor hem toch gevaar of overlast zal optreden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van de opmerking van de advocaat van [verzoeker] bij de mondelinge behandeling in hoger beroep dat [betrokkene 3] heeft aangegeven dat hij niet kan garanderen dat [verzoeker]
geen gevolgenvan het rookgaskanaal zal ondervinden. [29] Daarmee faalt ook onderdeel 4.