Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest. Tevens heeft het hof de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en daarvoor de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals in het bestreden arrest omschreven.
eerste middelklaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, mede gelet op een in dat verband gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, ontoereikend is gemotiveerd.
hij op 21 maart 2019 te 's-Gravenhage in/uit een café aan de [a-straat 1] een (kassa) ladebak en geld, die toebehoorden aan [betrokkene 1], heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”
Enkel aanwezigheid niet voldoende voor bewijs
over– naar ik begrijp: bovenop – als
inde schoenen van de verdachte zijn gevonden. Gelet op die plaats van aantreffen van de resten van het gesneuvelde raam behoefde het oordeel van het hof geen nadere motivering.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft beslist tot onttrekking aan het verkeer van het onder 4 op de beslaglijst opgenomen voorwerp, te weten een aardappelschilmes.
derde middelklaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
hij op 5 december 2018 te ’s-Gravenhage uit een café aan de [c-straat 1] geld, dat toebehoorde aan [betrokkene 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.”
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat zijn bloed op de plaats van de inbraak is aangetroffen omdat hij zich had gesneden toen hij door de ruit heen wilde kijken, niet aannemelijk is geworden. Het hof overweegt hiertoe dat het bloed van de verdachte zowel op twee plaatsen op de gebarsten onderruit van de zijdeur (die lag op de deurmat binnen het café) als op de buitenzijde van het houten zijpaneel van de zijdeur (alwaar eerder de ruit in had gezeten) is aangetroffen en bemonsterd.”