Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
‘ [eiser] ’, wonende te [woonplaats] ,
‘en eigenaar van “ [A] ” te [vestigingsplaats] ’(cursieve tekst is ontleend aan de hierna onder v genoemde overeenkomst). [verweerder] heeft die percelen daartoe ingezaaid met gras(zaad) zodat [eiser] daarop paarden kon laten grazen, zulks tegen een vergoeding van € 4.000 per jaar.
‘overeenkomst van uitscharing’ondertekend. Daarin verklaart [eiser]
jaarlijkse overeenkomst van inscharing (begrazing van paarden)’ door partijen ondertekend. Daarin verklaart [eiser]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
vanaf het beginmet [A] contracteerde. Ik citeer de door het subonderdeel vermelde plaats in de akte van de zijde van [eiser] van 17 januari 2017: [5]
achteraf(eind 2014) opgemaakt schriftelijk stuk. Kortom, als de bedoelde alternatieve lezing van het subonderdeel al mogelijk is, geldt dat de klacht ook in die lezing geen doel treft.
nietvoor de hand, omdat alleen [eiser] gedaagde partij was en [A] (volgens het standpunt van [eiser] de pachter) dus geen vordering in reconventie kon instellen.
wistdat [eiser] op het weiland paarden liet grazen die in de vennootschap [A] bedrijfsmatig werden gefokt en gehouden. Volgens het hof kan dit niet tot de gevolgtrekking leiden dat [verweerder] het weiland aan [eiser] heeft verpacht, behalve wanneer (1) [eiser] aan [verweerder] duidelijk kenbaar zou hebben gemaakt wat [verweerder] volgens de veronderstelling van het hof al wist, en (2) [verweerder] hiermee vervolgens akkoord zou zijn gegaan. Dit komt erop neer dat pacht in een geval als dit uitsluitend door een uitdrukkelijke wilsverklaring tot stand kan komen. Aldus getuigt het oordeel van het hof inderdaad van een onjuiste rechtsopvatting. Ook in een geval als hier aan de orde geldt het uitgangspunt van art. 3:37 lid 1 BW Pro en komt het aan op de redelijke verwachtingen van partijen over en weer, in het licht van wat voor hen kenbaar is.