Conclusie
Nummer18/04966
Het cassatieberoep
De zaak
Bespreking van de cassatiemiddelen
Het eerste middel
eerste middelbehelst allereerst de klacht dat het bewijs dat de verdachte in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11 lid 3 Opiumwet Pro uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen.
- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of en/of verwerken en/of vervoeren en/of af leveren en/of verkopen en/of aanwezig hebben van (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zoals strafbaar gesteld in artikelen 3 onder B en/of C en/of 11 lid 2, 3 en/of 5 van de Opiumwet en
- diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 310 en/of 311 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafrecht en
- witwassen, zoals strafbaar gesteld in artikel 420 BIS Pro/TER/QUATER van het Wetboek van Strafrecht;”
- 2: hij in de periode van 15 juni 2011 tot en met 12 maart 2013 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
(…)”
Het tweede middel
tweede middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.