Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat de rechtbank bij haar afwijzing van het verzoek de behandeling ter zitting te schorsen een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, althans deze beslissing onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
is niet verschenen.
[...]
De raadsman voert het woord overeenkomstig zijn pleitnota, die hij aan de voorzitter overlegt en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd. De pleitnota is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht. In aanvulling daarop bepleit de raadsman - zakelijk weergegeven - het volgende:
[…]
6. Andermaal zou ik scherp willen aandringen op schorsing van de uitleveringsdetentie onder voorwaarden. Het is meermalen aan de orde gekomen; ik verwijs graag naar de argumenten die daartoe naar voren zijn gebracht en de medische situatie waarvan nu sprake is. Cliënt kan nog steeds verblijven op het adres dat eerder door mij naar voren is gebracht. Hij kan inmiddels ook verblijven bij zijn zoon in Utrecht. Cliënt wenst zich aan iedere voorwaarde te houden tot en met de voorwaarde dat hij de betrokken woning niet zou kunnen of mogen verlaten. Ik heb het Openbaar Ministerie (OM) verzocht onderzoek te doen naar een enkelband. Het OM heeft daar negatief op gereageerd. Ik zou u willen vragen dat niet ten koste van cliënt te laten komen.
U heeft er kort op gewezen dat er een drugsdropping zou gaan plaatsvinden, dat klopt. U heeft ook aangegeven dat meneer getipt zou zijn. In Suriname zijn een aantal mensen aangehouden. Meneer is kort daarna naar Nederland gegaan in verband met zijn medische situatie, terwijl hij daartoe geen afspraak had. Er zijn geen stukken waaruit zou blijken dat meneer ongeneeslijke ziek is of detentieongeschikt. Ik wil zijn klachten niet bagatelliseren, maar het staat onvoldoende vast. Daarnaast is dat iets waarover de minister zich moet uitlaten. Meneer acht zich onschuldig, maar wil niet naar Suriname en zal gebruikmaken van alle rechtsmiddelen. Ik zie geen reden om de zaak aan te houden, laat staan om de uitleveringsdetentie te schorsen. Daarbij wil ik nog terugkomen op het penitentiaire systeem in Suriname. De rapporten waarnaar de raadsman verwijst zijn verouderd en schetsen een algemeen beeld. Het is niet zo dat het systeem in Suriname een gevaar vormt voor de gezondheid van meneer. Het is een huisarts die stelt dat hij verwacht dat het penitentiaire systeem ongeschikt is. Op dit moment staat niet onomstotelijk vast dat de medische situatie zo is dat de zaak moet worden aangehouden en de uitleveringsdetentie moet worden geschorst.
[…]
De raadsman voert het woord en bepleit - zakelijk weergegeven - het volgende:
[...]”
“I.
II.
- genoemde hardheidsclausule;
- de gezondheid van cliënt;
primair: de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren;
Tot slotHet namens de opgeëiste persoon aangevoerde omtrent zijn gezondheidstoestand is geen omstandigheid die de rechtbank als uitleveringsrechter tot het oordeel kan leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Uit artikel 10, tweede lid, van de UW volgt immers dat het de minister is die heeft te beslissen of zich het geval voordoet dat de gevolgen van de uitlevering voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn gelet op diens slechte gezondheidstoestand. Namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.
NJ2019/285, m.nt. Mevis allereerst benadrukt dat de inhoudelijke opmerkingen die hij zal maken uitsluitend betrekking hebben op “verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting die verband houden met het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht, waaronder ook wordt begrepen het recht van de verdachte om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen.” Dit beschouw ik als een aanwijzing dat de Hoge Raad niet heeft beoogd het desbetreffende beoordelingskader een breder toepassingsbereik te geven dan waarvoor het is geschreven. Analoge toepassing in andere procedures dan strafzaken, [4] of op aanhoudingsverzoeken die zijn ingegeven door andere belangen dan het aanwezigheidsrecht van de verdachte, ligt derhalve a priori niet voor de hand.
in dieprocedure kan dus bij het EHRM niet met vrucht worden geklaagd. Ook EU-richtlijn 2016/343, betreffende – kort gezegd – het vermoeden van onschuld en het aanwezigheidsrecht, is niet van toepassing in de uitleveringsprocedure. [8]
nietonderzoekt of de opgeëiste persoon het feit waarvoor uitlevering ter fine van strafvervolging wordt verzocht, heeft begaan. [12] Centraal staat de aan een vreemde staat te verlenen hulp bij vervolging of bestraffing, voorafgaand waaraan moet worden nagegaan of het verzoek daartoe voldoet aan de daaraan te stellen eisen. [13] De verschillen in aard en doel rechtvaardigen dat de uitleveringsprocedure een summierder karakter heeft dan een strafproces. Voor materieel onderzoek naar de onderliggende (strafbare) feiten is de uitleveringsprocedure niet bedoeld, en voor de kwaliteit van juist dat feitenonderzoek is de aanwezigheid van de verdachte in strafzaken van potentiële meerwaarde. Het bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek veelal tegenover de met aanwezigheid gemoeide belangen staande belang van een voortvarende afdoening van de zaak, is in de uitleveringsprocedure buitengewoon zwaarwegend. Dat is een belangrijke overweging geweest bij de inrichting van de uitleveringsprocedure, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in de ten aanzien van de in uitleveringszaken open te stellen rechtsmiddelen gemaakte keuzes. [14] De bij een aanhoudingsverzoek wegens verhindering van de opgeëiste persoon in een uitleveringsverzoek te betrekken en af te wegen belangen verschillen derhalve naar hun aard en gewicht van de belangenafweging naar aanleiding van een aanhoudingsverzoek in een strafzaak. Ook dit pleit ertegen de aan de beoordeling van een aanhoudingsverzoek in een strafzaak te stellen eisen zonder meer overeenkomstig toe te passen op de beslissing op een aanhoudingsverzoek van de uitleveringsrechter.
NJ2003/610 heeft de Hoge Raad uit art. 29, eerste lid, UW en de bovenstaande wetsgeschiedenis afgeleid dat de wetgever weliswaar van een verstekprocedure niet heeft willen weten, maar dat dagvaarding van de afwezige en niet door een raadsman vertegenwoordigde opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip uitsluitend dient te worden gelast indien de rechtbank zijn aanwezigheid bij het verhoor als bedoeld in art. 25 UW Pro wenselijk acht. Art. 25, vierde lid, en art. 29, eerste lid, UW staan dus niet in de weg aan de behandeling van een uitleveringsverzoek ingeval noch de opgeëiste persoon noch een gemachtigde raadsman ter zitting is verschenen, behalve als de rechtbank de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het verhoor wenselijk oordeelt. Gelet op de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis kan die wenselijkheid worden geacht te ontbreken wanneer geen twijfel bestaat dat de opgeëiste persoon degene is om wiens uitlevering is verzocht, hij zich in Nederland bevindt, en hem tevens op de voet van art. 24, tweede lid, UW mededeling is gedaan van het voor zijn verhoor bepaalde tijdstip, aldus nog steeds de Hoge Raad. Voor deze uitleg gaf de Hoge Raad nog een additioneel argument: de opvatting dat uitlevering niet toelaatbaar kan worden verklaard wanneer noch de opgeëiste persoon noch zijn gemachtigde raadsman dienaangaande is gehoord, zou tot de “onaannemelijke uitkomst” leiden dat de opgeëiste persoon (meer in het bijzonder indien hij niet is gedetineerd) zelf zou kunnen bewerkstelligen dat de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard dan wel dat de behandeling van het uitleveringsverzoek onaanvaardbaar wordt vertraagd. Dit nam (uiteraard) niet weg dat de rechtbank was gehouden een (gemotiveerde) beslissing te nemen op het namens de opgeëiste persoon gedane aanhoudingsverzoek, welke motivering de Hoge Raad in cassatie op haar begrijpelijkheid en genoegzaamheid toetste. In de desbetreffende zaak achtte de Hoge Raad de motivering van de afwijzing toereikend, ofschoon de rechtbank niet kenbaar een afweging had gemaakt van alle betrokken belangen. De eis van een afweging van alle betrokken belangen werd in strafzaken ook destijds al wel aan de motivering van de afwijzing van een aanhoudingsverzoek gesteld. [17]