ECLI:NL:PHR:2012:BV2361
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over berekening partner- en kinderalimentatie na echtscheiding
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben een dochter die haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft. Na de echtscheiding heeft de rechtbank alimentatie en zorgregelingen vastgesteld. De man stelde beroep in tegen de vastgestelde alimentatiebedragen en zorgregeling. Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover die kinderalimentatie en partneralimentatie betrof en stelde nieuwe bedragen vast, waarbij het hof onder meer uitging van een netto maandinkomen van de man van circa € 3.900 en een aangepaste bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter.
De man voerde in cassatie aan dat het hof onjuiste berekeningen had gemaakt, met name over het fiscaal jaarloon en de draagkrachtbepaling, en dat het hof onterecht was afgeweken van de overeengekomen kinderalimentatie. Ook stelde hij dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het van de overeengekomen bedragen was afgeweken. De vrouw stelde incidenteel cassatieberoep in tegen de aanpassing van de kinderalimentatie.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof bevoegd was zelfstandig te beoordelen en af te wijken van de overeengekomen alimentatiebedragen zonder dat daarvoor wijziging van omstandigheden of grove miskenning vereist is. Het hof heeft het netto maandinkomen van de man op juiste wijze vastgesteld, rekening houdend met fiscale begrippen en heffingskortingen. De klachten van de man over onjuiste loonbegrippen en onjuiste toepassing van fiscale gegevens worden verworpen. Ook is het oordeel van het hof over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter niet onbegrijpelijk. De cassatieberoepen worden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen en bevestigt de alimentatievaststellingen van het hof.