Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het ter terechtzitting gevoerde verweer (“inhoudende uitdrukkelijk onderbouwde standpunten”) waarin zowel de deskundigheid van de deskundige als de betrouwbaarheid van de door hem gevolgde onderzoeksmethode is betwist, zodat het uiteindelijke bewijsoordeel onbegrijpelijk is.
eenlocatie van een overval en van
eenverdachte. Dat kan niet wil je een objectieve en sturingsvrije opinie verkrijgen.
De mogelijkheid bestaatdat Otten naar het gewenste resultaat toe redeneert in zijn rapport.
13 april 2015):
Ook dit euvel geldt bij het onderzoek van de heer Otten (118 proefpersonen is geen Nederlands bevolkingsonderzoek.
De rechtbank merkt tevensop dat de bewijswaarde van het verrichte onderzoek in dit geval verder wordt beperkt doordat het onderzoek zich nadrukkelijk heeft geconcentreerd op een vergelijking tussen de gang van de overvallers op de beelden van de Albert Heijn en de Kruidvat en de gang van de (
bij de deskundige als zodanig bekende) verdachte (dit is de kritiek die ik eerder heb geuit ook ten aanzien van het bij het hof gepresenteerde onderzoek). Ook de rechtbank acht een onderzoek van de overvallen zichtbare persoon (en personen -rb) en de gang van een groter aantal personen, waaronder verdachte (pagina 4)
noodzakelijk.
Hier ter zitting heb ik dit eveneens als verweer tegen het door het OM gestelde ingebracht. Het is mij te beperkt en biedt teveel de mogelijkheid in een tunnelvisie te geraken en om van daar uit te redeneren en te concluderen.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
NJ2006/393, m.nt. Buruma. Volgens Hoving in zijn Groningse dissertatie uit 2017 is de Hoge Raad over het algemeen betrekkelijk terughoudend bij het beoordelen of de rechter de verwerping van een verweer over het gebruik van deskundigenbewijs voldoende heeft gemotiveerd. [4]
tweede middelklaagt dat de beslissingen van het hof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel onbegrijpelijk en/of ontoereikend zijn gemotiveerd in het licht van de omstandigheid dat de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij reeds schadeloos is gesteld.
2.8.2 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
2.8.3 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv Pro) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen.
[...]
2.8.6 Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”
nietaan toewijzing van de vordering in de weg staat bijvoorbeeld de omstandigheid dat aan de benadeelde partij reeds een uitkering is gedaan ingevolge de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. [8] Dat de benadeelde partij op zo een uitkering doelde is goed voorstelbaar. [9]