Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Opmerkingen vooraf
3.(On)geldigheid van de certificaten (middel I en middel III, onderdeel (a))?
[G] [8] . Naar het oordeel van het HvJ binden de bevindingen van dit onderzoek de Unie als Jamaica (als staat van uitvoer) deze bevindingen rechtsgeldig heeft uitgebracht. [9] Daarvoor volstaat het wanneer Jamaica:
[G].
naar behorenondertekend? Het Hof heeft niet vastgesteld of – naar de maatstaven van het recht van Jamaica – de Permanent Secretaris ondertekeningsbevoegd is geweest. Wel heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur redelijkerwijs niet heeft hoeven twijfelen aan de bevoegdheid van de Permanent Secretaris. Ook dat is in lijn met
[G]. Het HvJ oordeelt namelijk dat: [11]
[G]. Als de oorsprong van goederen niet kan worden bevestigd, moet:
middel IIIfaalt dus ook.
4.Douaneschuldenaar of niet (middel IV)?
A. [20] In dat arrest is vastgesteld dat de aangesprokene
nauw én bewustbetrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van handelsstromen waardoor een douaneaangifte kon worden opgesteld op basis van gegevens die tot gevolg hebben dat de wettelijk verschuldigde rechten voor de goederen niet worden geheven, worden geacht betrokken te zijn geweest bij de handelingen in verband met het verstrekken van deze gegevens. In de zaak van belanghebbende is daarentegen niet vastgesteld dat belanghebbende bewust betrokken is geweest bij dergelijke handelsstromen. [21]
A. Uit
A.leid ik af dat het HvJ uitgaat van een ruime uitleg van de tweede alinea van artikel 201(3) CDW, waarbij als douaneschuldenaar worden aangemerkt personen “door wier optreden” [22] de douaneschuld aanvankelijk is vastgesteld volgens onjuiste gegevens. Zoals gezegd (zie onderdeel 4.6) is in cassatie onbestreden dat belanghebbende (middellijk) onjuiste gegevens heeft verstrekt (namelijk in de vorm van onjuiste, voor de douaneaangifte benodigde certificaten) en is zij nauw betrokken geweest bij handelsstromen die zijn opgezet en bedacht met het oog op een te geringe heffing van douanerechten. Die betrokkenheid vormt mijns inziens een optreden waardoor de douaneschuld aanvankelijk is vastgesteld volgens onjuiste gegevens.
group managing directorheeft meegewogen in zijn oordeelsvorming over de wetenschap van [D], omdat blijkens hetzelfde memorandum zij met deze taken is belast sinds 27 februari 2004 terwijl het merendeel van de aangiften waarop de utb’s zien, is ingediend vóór deze datum. Deze klacht leidt mijns inziens niet tot cassatie. Zij doet namelijk niet af aan de overige posities van [D], in het bijzonder die van aandeelhouder van de Jamaicaanse fabrieken en algemeen directeur van belanghebbende. Gelet op deze posities, acht ik het feitelijk, toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat [D] redelijkerwijs had moeten weten dat de certificaten onjuist waren.
middel IV.
5.Verdedigingsschending of niet; afloop (middel II en middel III, onderdeel (b))?
Prequ’ Italia [27] tot uitgangspunt genomen voor de beoordeling of de Inspecteur de utb’s mocht uitreiken zonder belanghebbende vooraf te horen. Volgens het Hof volgt uit
Prequ’ Italiadat het verzuim haar vooraf niet te horen geen afbreuk doet aan het verdedigingsbeginsel als (a) zij de mogelijkheid heeft alsnog achteraf te worden gehoord (in bezwaar of beroep), (b) dit verzuim beantwoordt aan doeleinden van algemeen belang, en (c) dit verzuim geen onevenredige en onduldbare ingreep is die het recht van verdediging in de kern aantast. [28] In de bestreden uitspraak ligt als oordeel van het Hof besloten dat zij alsnog achteraf is gehoord, zodat voorwaarde (a) is vervuld. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
Prequ’ Italiavolgt volgens het Hof dat beschikkingen van de douaneautoriteiten van een lidstaat altijd beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang. Dat is ook zo voor de utb’s die zijn uitgereikt aan belanghebbende, aldus het Hof. [29]
Prequ’ Italiaaf dat het verzuim vooraf niet te horen geen onevenredige en onduldbare ingreep is als belanghebbende de mogelijkheid heeft betalingsuitstel te verkrijgen onder de voorwaarden die artikel 244 CDW Pro bepaalt en deze voorwaarden niet eng worden toegepast. Vervolgens oordeelt het Hof dat de Leidraad Invordering 1990 [30] erin voorziet dat betalingsuitstel in beginsel wordt verleend op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige en dat als een zodanig verzoek (ook) wordt aangemerkt een bezwaarschrift dat het bestreden bedrag van de belastingaanslag en de berekening daarvan vermeldt. [31] Volgens het Hof voldoet deze regeling aan voorwaarde (c).
Prequ’ Italiais voor de wijze van toetsing van een rechtvaardiging voor het verzuim vooraf niet te horen. Gaat het om een concrete toetsing die vergt de rechtvaardiging te zoeken in de individuele omstandigheden van het geval, zodat de uitkomst van deze toetsing kan verschillen bij gelijksoortige beschikkingen naargelang die individuele omstandigheden? Of betreft het een abstracte toetsing waarvoor volstaat dat de desbetreffende beschikking een bepaald algemeen belang dient, zodat de uitkomst niet kan verschillen bij gelijksoortige beschikkingen ongeacht de individuele omstandigheden van het geval? Die vraag vormt het onderwerp van de gemeenschappelijke bijlage die deel uitmaakt van deze conclusie.
Prequ’ Italiagaan liggen). Volgens het Hof heeft zij niet gepreciseerd welke additionele onderzoeksmogelijkheden zouden hebben bestaan vóór uitreiking van de utb’s of door inzage tijdens de bezwaarfase. Op grond daarvan acht het Hof niet aannemelijk dat zij een inbreng zou hebben kunnen leveren die van belang is voor het vaststellen van de utb’s en waarvan niet kan worden uitgesloten dat de inbreng tot een andere afloop van de besluitvorming zou hebben kunnen leiden. [32]
kunnenzijn geweest. In zoverre gaat dit onderdeel (b) niet op: dat bewijs betreft een stelling die niet een andere afloop zou hebben kunnen bewerkstelligen (zie onderdeel 3.11).
welkemogelijkheden dan verloren zouden zijn gegaan.
middel IIIfaalt. Zodoende leidt
middel IIniet tot cassatie, hoewel het terecht is voorgesteld.
6.Navordering van douanerechten of niet (middel V)?
Prenatal [37] , waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over dezelfde handelsstromen en stellingen.
Prenatalover de uitleg van artikel 220(2)b CDW zal uitwijzen dat de Jamaicaanse autoriteiten feitelijke wetenschap hebben gehad dat de certificaten onjuist zijn. Mogelijk wijst deze verwijzing uit dat de Partnerschapsovereenkomst verplicht tot bepaalde controlehandelingen. [39] Anders dan het middel bepleit, acht ik het niet nodig de beslissing in deze zaak aan te houden totdat het antwoord volgt in
Prenatal.