Conclusie
eerste middel
tweede middel
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor opzettelijk bezit van hennep in strijd met artikel 3 onder Pro C jo. artikel 11 lid 2 van Pro de Opiumwet, met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een week. De Hoge Raad stelt vast dat het hof ten onrechte het feit als misdrijf kwalificeerde, terwijl het bezit van minder dan 30 gram hennep volgens artikel 11 lid 6 Opiumwet Pro een overtreding betreft.
De bewijsmiddelen omvatten een proces-verbaal van politie, foto's van aangetroffen hennepgruis in de woning van de verdachte, verklaringen van de verdachte zelf en getuigenverklaringen over overlast door hennepgeur. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van het voorbereiden van cocaïnehandel, maar bewezen verklaard dat hij hennep bezat. Het hof achtte de verdachte ontvankelijk in hoger beroep tegen de vrijspraak, wat door de Hoge Raad werd bevestigd.
De Hoge Raad oordeelt dat de strafoplegging door het hof niet passend is bij de kwalificatie van het feit als overtreding, aangezien de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van een week niet in overeenstemming is met de maximale straf van een maand hechtenis of een geldboete van de tweede categorie. De zaak wordt daarom terugverwezen naar het hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling van de strafoplegging, waarbij rekening moet worden gehouden met de geringe hoeveelheid hennep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de kwalificatie en strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde strafoplegging.