Conclusie
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal aangifte(…), opgemaakt op 4 januari 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, deverklaring van aangever [slachtoffer]:
Standpunt van de verdediging
eerstemiddel klaagt dat de bewijsvoering van het gerechtshof ‘niet redengevend is voor het bewezen verklaarde’ en/of dat het oordeel van het hof dat de verdachte de op de camerabeelden en foto’s weergegeven man met het geblokte shirt is, onvoldoende met redenen zou zijn omkleed.
tweedemiddel klaagt dat het hof heeft verzuimd (genoegzaam) de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het bezwaarlijk anders dan als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan te merken verweer dat de herkenningen door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] onbetrouwbaar zijn.
en de persoon op de beelden lijkt er in sommige aspecten wel op, en dus is het cliënt. Zo moet het zijn gegaan, want overigens blijkt niet op welke wijze, onder welke omstandigheden en op grond van welk referentiemateriaal men tot de herkenning van cliënt is gekomen en hoe men heeft uitgesloten dat het geen ander dan cliënt kan zijn.
‘Standpunt van de verdediging’heeft het hof de in het middel bedoelde betwisting van de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten onder ogen gezien. Naar aanleiding van de verweren van de verdediging heeft het hof onder meer overwogen dat het geen redenen heeft om aan de betrouwbaarheid en juistheid van de herkenningen door de verbalisanten te twijfelen.
derdemiddel klaagt dat het oordeel van het hof, inhoudende dat voorbij wordt gegaan aan de conclusies en aanbevelingen in het NFI-rapport van de deskundige Ruifrok , onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen omkleed.
stillsvan die beelden. Het hof heeft overwogen dat de persoon op die
stillsschuin van boven zichtbaar is en dat de keuze voor juist die
stillsverbazing wekt omdat het gezicht van de persoon met de blokjes-/ruitjesblouse op meerdere momenten volledig zichtbaar is, waarbij het hof kennelijk doelt op de bewegende beelden. Daarin ligt als vaststelling van het hof besloten dat op de voor het onderzoek gebruikte
stillshet gezicht van de afgebeelde persoon slechts gedeeltelijk zichtbaar is. Het hof heeft zijn oordeel dat weinig (bewijs)waarde moet worden toegekend aan het rapport voorts gebaseerd op de verklaring van de deskundige Ruifrok dat de kwaliteit van de foto niet hoog was, dat sprake was van een spotlight waarvan de bundel op het hoofd voor vertekening kan zorgen en dat op ‘dit soort kwalitatief slechte foto’s’ de vorm van het hoofd niet zo goed kan worden bepaald. Het op een en ander gebaseerde oordeel van het hof dat voorbij wordt gegaan aan de conclusies in het rapport is, mede gelet op de vrijheid van de feitenrechter dienaangaande, niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd.