In deze zaak strijden de ouders van een verstandelijk beperkte dochter over de benoeming van bewindvoerder en mentor. De vader, verzoeker tot cassatie, stelde beroep in tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die de moeder tot mentor benoemde en een bevriende relatie tot tweede mentor en bewindvoerder.
Het verzoekschrift tot cassatie, ingediend door de vader, was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens art. 426a lid 1 Rv. De vader werd hierover geïnformeerd en kreeg de mogelijkheid dit binnen twee weken te herstellen, maar deed dit niet. Hij voerde aan dat zijn recht op toegang tot de rechter werd belemmerd door het ontbreken van een advocaat en verwees naar het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van de advocaatsondertekening een onherstelbaar verzuim is en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is. Het beroep op het VN-Verdrag en het recht op toegang tot de rechter leidde niet tot een ander oordeel, mede gelet op eerdere jurisprudentie van het EHRM. Het cassatieberoep van de vader wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard.