Conclusie
1.Feiten en procesverloop
€ 35.000,- boete en rente voortvloeiend uit de onder (vii) aangehaalde overeenkomst van geldlening binnen zeven dagen te voldoen.
’s-Hertogenbosch heeft in beroep het faillissementsverzoek vervolgens toegewezen waarna de Hoge Raad deze beslissing van het hof heeft vernietigd met verwijzing van de zaak naar hof Arnhem-Leeuwarden. Bij beschikking van 8 mei 2014 heeft dit laatste hof de beschikking van de rechtbank van 31 juli 2012 bekrachtigd.
€ 1.271.000,-, meer subsidiair € 933.334,90, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012 althans 16 mei 2014 en meest subsidiair tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat, alsmede
2.Het bestreden arrest
aan een derdeaan de orde was heeft het hof eerst het standpunt van [eiser] weergegeven, nl. dat de voorstellen van 14, 18 en 26 juli 2011 (zie voor de inhoud van de voorstellen, onder 1.1 (xi), (xii) en (xiii)) in onderlinge samenhang (enkel) wijzen op “verkoop” c.s. door de ene aan de andere partij, hetzij [eiser] , hetzij [verweerster] (rov. 6.5.1).
tot [eiser] gerichtaanbod doch hooguit als een algemene, ongerichte uitlating (welke op zijn best een uitnodiging om tot - verder - onderhandelen over te gaan inhield);
3.Behandeling van het cassatieberoep
tot stand is gekomen.
genoegzaam bewezen is dat de aanbetaling is besproken op 26 juli 2011onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel heeft het hof niet (kenbaar) gerespondeerd op een zevental door [eiser] aangevoerde - volgens het onderdeel essentiële - stellingen waarmee de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [betrokkenen 1 en 2] zou zijn betwist. [11]
als door [eiser] gesteld(zie hiervoor, onder 2.2) tot stand is gekomen.
onverlet” zou laten ontbreekt, zodat ook deze beslissing op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
het standpunt van[eiser] omtrent die vraag dat onverlet laat. In zoverre faalt het subonderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
onderdeel 1.
subonderdeel 1.1. Die klacht houdt (enkel) in dat de motivering van de beslissingen van het hof in rov 6.6 t/m 6.6.6 en rov. 6.9 (eerste streepje) onvoldoende begrijpelijk is, gezien het partijdebat, de overige vaststellingen door het hof en de essentiële stellingen van [eiser] op dit punt.
nietafhankelijk is van het bestaan van een koopovereenkomst. [20] Het subonderdeel wijst daarbij op twee door [eiser] genoemde punten:
“[wij] zouden [ ] kopen. Voor het bedrag van bijna 1.700.000,= zoals eerder besproken”. [22]
geenonderdeel uitmaakte van de afspraken als geheel en daaruit zou kunnen worden gesepareerd.
[verweerster]verplicht zou zijn om het aandeel van [eiser] over te nemen.
geenonderdeel uitmaakte van de afspraken als geheel en daarvan zou kunnen worden gesepareerd.