Conclusie
Stichting Jeugdbescherming Brabant
[de vader]
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel – onderdeel 1
Verzoek onderzoek 810a Rv
Ondertoezichtstelling
Uithuisplaatsing
De vaderaccepteerde meteen de hulpverlening vanuit [B] , werkte mee aan hulpvragen over de oudercommunicatie en
heeft volledig inzicht gegeven in zijn opvoedsituatie. Bij de moeder is dit zicht er tot op heden niet. De moeder heeft een gesprek gehad met [B] en heeft daarin te kennen gegeven geen hulpvraag te hebben en zij merkte bovendien op dat zij de betreffende hulpverlener niet geschikt vond.
De moeder vertoont nog steeds een heftige weerstand richting de hulpverlening en zij stelt allerlei voorwaarden die verhinderen dat de hulpverlening op gang wordt gebracht. Onder al deze omstandigheden is de noodzaak van (continuering van) de uithuisplaatsing zonder meer vast komen te staan.Het is voor het hof duidelijk dat de kinderen bij de moeder thuis niet de hulp krijgen die zij nodig hebben en dat de opvoedomgeving van de vader momenteel beter aansluit bij wat de kinderen nodig hebben: rust en ruimte om zich te ontwikkelen zonder meegezogen te worden in de strijd die hun ouders met elkaar voeren.
Ten aanzien van het verzoek ex artikel 810a Rv:
AG]
Ten aanzien van het verzoek ex artikel 810a Rv:
equality of arms. [9] Uit de tekst van art. 810a lid 2 Rv. volgt niet dat sprake zou moeten zijn van een deskundigenonderzoek dat reeds tot stand zou moeten zijn gekomen. In het licht van de door de Hoge Raad vastgestelde ratio van de bepaling heeft te gelden dat voldoende is dat de RvdK of de GI een standpunt heeft ingenomen in een zaak op grond waarvan wordt verzocht om een jeugdbeschermingsmaatregel. Een dergelijk standpunt kan ook worden verwoord in processtukken, zoals dat in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden, en is niet beperkt tot bevindingen die zijn neergelegd in een raadsrapport dat voortvloeit uit een deskundigenonderzoek door de RvdK of enige andere instelling. [10] Aldus moet het ervoor worden gehouden dat zowel de tekst als de ratio van art. 810a lid 2 Rv. uitgaan van de mogelijkheid om een deskundigenonderzoek te vragen om een ouder zo de mogelijkheid te bieden onderbouwd verweer te kunnen voeren tegen een standpunt van de RvdK of een GI, ook indien niet reeds een ander deskundigenonderzoek tot stand is gekomen waartegen het verzochte onderzoek zich zou kunnen richten. Het hof heeft dit miskend.
nietverzocht om het gelasten van nader onderzoek en het uitbrengen van een deskundige rapportage. De moeder heeft enkel en alleen verzocht om de drie door haar genoemde personen als deskundigen aan te merken en hen op zitting te horen over de opvoedkundige situatie van de minderjarigen bij de moeder (en de vader). Weliswaar heeft zij toegevoegd dat deze personen als deskundigen “
ex artikel 810a Rv” moeten worden aangemerkt, maar als dit geen verzoek kan zijn in de zin van dit artikel, komt aan die toevoeging weinig waarde toe.
nietdoor de rechter zijn benoemd. [11] De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid om van deze mogelijkheden gebruik te (laten) maken. [12]
equality of armsgeweld werd aangedaan: de rapportage van de RvdK bepaalt in de praktijk in hoge mate de uitkomst en er is te weinig mogelijkheid voor kritische tegenspraak. Ruimere mogelijkheden voor contra-expertise werden bepleit. Naar aanleiding hiervan is art. 810a Rv. in de wet opgenomen. [17] Met de bepaling van art. 810a lid 2 Rv. is volgens de Hoge Raad dan ook beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de RvdK in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken. [18] Deze ratio geldt ook als het gaat om een standpunt van een gecertificeerde instelling. Art. 810a lid 2 Rv. spreekt voorts weliswaar van “zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen”, maar aangenomen moet worden dat daaronder ook zaken vallen waarin het gaat om de uithuisplaatsing van minderjarigen. In dit verband is van belang dat het wettelijk stelsel inhoudt dat een uithuisplaatsing slechts mogelijk is in het kader van een ondertoezichtstelling (art. 1:265b lid 1 BW). De hiervoor genoemde ratio van art. 810a lid 2 Rv speelt bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol dan bij de enkele ondertoezichtstelling, omdat een uithuisplaatsing als maatregel van kinderbescherming dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling. [19]
schriftelijktegenonderzoek, en betekent dit dat art. 200 en Pro 194 jo. 284 Rv. onverlet worden gelaten. [20] Dat zou betekenen dat het in dat geval aan de discretionaire bevoegdheid van de rechter is overgelaten of het verzoek wordt toegewezen of niet, en dat de striktere afwijzingsgronden van art. 810a Rv. niet van toepassing zijn. Ik zie echter niet in waarom dit het geval zou (moeten) zijn. Ondanks dat bij de parlementaire behandeling met name gedacht lijkt te zijn aan (het benoemen van een deskundige voor het doen van) een schriftelijk tegenonderzoek, is er mijns inziens geen goede reden om een verzoek tot het (benoemen en vervolgens) slechts
horenvan deskundigen in de zaken waarop art. 810a lid 2 Rv. ziet fundamenteel anders te behandelen. [21] Het gaat er immers om dat de ouder voldoende gelegenheid heeft om weerwoord te bieden aan hetgeen de Raad, GI en/of hun deskundigen aanvoeren over de noodzaak van de verzochte jeugdbeschermingsmaatregel. [22] Als de ouder van zijn kant met het (lichtere, althans waarschijnlijk minder tijd in beslag nemende) middel van het mondelinge horen van deskundigen wil volstaan, staat hem dat vrij, en moeten hiervoor mijns inziens dezelfde waarborgen gelden als die – in de in lid 2 genoemde zaken – gelden bij een verzoek tot het benoemen van een deskundige voor het doen van een schriftelijk tegenonderzoek. [23]
standpuntvan de verzoeker van de jeugdbeschermingsmaatregel, niet per se van een deskundigenrapport, of een met een dergelijk rapport onderbouwd standpunt. Ik denk ook dat er goede reden kan zijn om aan de ouder óók in het geval alleen een gemotiveerd en onderbouwd standpunt door de verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag is gelegd, de mogelijkheid van een tegenonderzoek niet categorisch te onthouden, althans de afwijzing van een verzoek van de ouder daartoe slechts onder de strikte voorwaarden van art. 810a lid 2 Rv. mogelijk te achten. Ook in dat geval is het standpunt van RvdK en/of GI immers gezaghebbend en veelal ook in hoge mate bepalend in de procedure, en heeft de ouder slechts beperkte middelen om zich daartegen gemotiveerd teweer te stellen. Men kan dus stellen dat de vereiste
equality of armsin dit geval evenzeer – althans niet veel minder dan in andere gevallen – eist dat er een ruime mogelijkheid tot contra-expertise bestaat voor de ouder. [28]
categorischanders te behandelen, omdat ik denk dat er wel onderscheid moet worden gemaakt in verschillende situaties.
nogniet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden, [29] óók als de vraag waarop het onderzoek zich volgens de ouders zou moeten richten op zichzelf wel ter zake doende is in het kader van de verzochte jeugdbeschermingsmaatregel. In die zin wordt in feite óók op een van de strikte afwijzingsgronden van art. 810a lid 2 Rv. afgewezen, al wordt die hier dan iets anders opgevat. Voorkomen moet immers worden dat ouders een onderzoek door de RvdK en/of de GI eerst zouden kunnen blokkeren of frustreren, om vervolgens in beginsel zelf wél recht te kunnen doen gelden op toewijzing van een verzoek op (contra-)expertise van hun kant, zonder dat eerstgenoemd onderzoek reeds heeft kunnen plaatsvinden. Ouders kunnen op deze manier – zoals in casu ook lijkt te gebeuren – een onderzoek door deskundigen die zij prefereren en op hun manier afdwingen ten koste van een onderzoek door of vanwege de GI of RvdK. In dit geval is van een
equality of arms-probleem ook geen sprake, nu de RvdK en/of de GI in dit kader ook (nog) geen “
arms” ter beschikking hebben gehad, die aan de ouder(s) vervolgens op gelijke wijze dienen toe te komen. Mijns inziens dient er in de situatie waarin de ouder(s) niet hebben meegewerkt aan onderzoek door of vanwege de RvdK of de GI dus eerst nog, zo nodig in een gedwongen kader, gelegenheid worden geboden aan de RvdK en/of de GI om het noodzakelijk geachte onderzoek te verrichten. Medewerking van de ouders zal daarvoor over het algemeen vereist zijn. Daarna dient dan opnieuw te worden bezien of het verzoek om contra-expertise moet worden toegewezen, waarbij de strikte afwijzingsgronden van art. 810a lid 2 Rv. weer (onverkort) van toepassing zijn.
tot 1 april 2019(in plaats van de verzochte 23 augustus 2019) heeft verlengd en
iedere verdere beslissing– met betrekking tot het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling (dus tot 23 augustus 2019) –
heeft aangehouden. De rechtbank had daarbij overwogen dat pas na afronding van het onderzoek “
gefundeerd[kan]
worden besloten over al dan niet terugplaatsing van de minderjarigen bij de moeder” en dat zij aanleiding ziet “
om een tussentijds toetsmoment te laten plaatsvinden”. Zij heeft verder overwogen dat het onderzoek “
met de nodige zorgvuldigheid gepaard zal gaan en ook de nodige tijd zal duren”, en dat zij van de GI verwacht “
dat zij uiterlijk twee weken vóór na te melden zittingsdatum[de in de beschikking genoemde datum voor de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing]
schriftelijk verslag zal uitbrengen over het verloop van deze maatregel en de hulpverlening” en “
haar standpunt[dient]
te geven ten aanzien van het resterend deel van het verzoek”. [30]