ECLI:NL:PHR:2019:1265

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2019
Publicatiedatum
3 december 2019
Zaaknummer
18/01355
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 9 EVRMArt. 81.1 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep inzake opzettelijke invoer van ayahuasca-thee bestemd voor kerk

De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam schuldig bevonden aan het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet door de invoer van ruim 21 kilogram ayahuasca-thee, bestemd voor gebruik binnen een kerkelijke context.

Hoewel het hof geen straf of maatregel oplegde, stelde de verdachte cassatieberoep in tegen dit arrest. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie aangegeven dat dezelfde cassatiemiddelen reeds in een samenhangende zaak zijn behandeld en verworpen door de Hoge Raad op 1 oktober 2019.

De Hoge Raad heeft daarom het cassatieberoep verworpen en geen aanleiding gevonden om het arrest van het hof te vernietigen. Het beroep op vrijheid van godsdienst ex artikel 9 EVRM Pro werd niet gegrond geacht in relatie tot het verbod uit de Opiumwet.

De conclusie van de Procureur-Generaal bevestigt dat het arrest van het hof standhoudt en dat het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; arrest hof Amsterdam blijft in stand zonder strafoplegging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/01355
Zitting15 oktober 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 28 februari 2018 door het Gerechtshof Amsterdam schuldig verklaard aan ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod’; het hof heeft daarbij bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaken 18/01356 en 18/01362.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.
In de samenhangende zaak met rolnummer 18/01356 is op 9 juli 2019 geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2019:754). De Hoge Raad heeft in die zaak op 1 oktober 2019 het cassatieberoep verworpen (ECLI:NL:HR:2019:1456).
Nu het hier dezelfde cassatiemiddelen betreft tegen een gelijkluidend arrest kunnen deze middelen, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2019, met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG