Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
3 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 28 februari 2018. De verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2.A van de Opiumwet door de invoer van ruim 21 kilogram ayahuasca-thee, bestemd voor gebruik binnen een kerk.
De verdediging voerde onder meer een beroep op de vrijheid van godsdienst ex artikel 9 EVRM Pro aan. De Hoge Raad verwijst in zijn arrest naar eerdere jurisprudentie, met name ECLI:NL:HR:2019:1456, en oordeelt dat de middelen van cassatie niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgt dit advies. Het beroep wordt verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, en uitgesproken op 3 december 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor opzettelijke invoer van ayahuasca-thee.