Conclusie
Artikel 1
2.Bespreking van het cassatieberoep
de facto) op non-conformiteit bedoeld in art. 7:17 BW Pro. Bij een dwalingsvordering mist art. 7:23 BW Pro en de daarin vervatte tijdige klachtplicht toepassing, ook als de dwaling het gevolg is van mogelijke “voorwetenschap” bij de verkoper die de koper daarover had behoren in te lichten, zoals het hof aangeeft in rov. 4.7.
de facto) op non-conformiteit. Het aangevallen oordeel lijkt mij juist precies te sporen met de besproken vaste rechtspraak (weergegeven in voetnoot 10) dat art. 7:23 BW Pro wordt ingeschakeld bij vorderingen gebaseerd op feiten die tevens de stelling zouden rechtvaardigen dat de geleverde prestatie niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. Dat kan ook heel wel het geval zijn als de zaak als dwaling is ingestoken, zo volgt uit die rechtspraak expliciet (vgl. het in die voetnoot aangehaalde arrest
[.../...]). Anders gezegd: het hof oordeelt dat de hier van belang zijnde reconventionele vorderingen van [eiser]
de factoof materieel
welzijn gegrond op het niet beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst. [eiser] heeft benadrukt dat het hem juist ging om de goodwill in de vorm van te gunnen werk door woningbouwvereniging Vidomes. Hij mocht in zijn visie menen te zijn overeengekomen dat hij dat binnenhaalde met het contract, maar feitelijk bleek dat een wassen neus te zijn, waarmee de overeenkomst niet voldeed aan hetgeen hij mocht verwachten te hebben gekocht. Dat lijkt mij onmiskenbaar een geval van feiten die tevens de stelling zouden rechtvaardigen dat de prestatie niet aan de koopovereenkomst beantwoordde: er kwam helemaal geen werk af van die woningbouwvereniging voor vijf jaar; dat deel van de overeenkomst was een lege huls.