Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.2aan voorbij dat (i) het leerstuk van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid dan wel het rechtsverwerkingsleerstuk niet kan derogeren aan, dan wel van toepassing is op, het procesrechtelijk recht van hoger beroep en/dan wel (ii) aan het recht om hoger beroep in te stellen niet op de voet van de redelijkheid en billijkheid kan worden gederogeerd, dan wel dat het recht kan worden verwerkt, nádat van dat recht gebruik is gemaakt.
subonderdeel 1.3richt zich tegen dit oordeel van het hof in rov. 2.9 en klaagt in de kern dat het hof heeft miskend dat voor rechtsverwerking een andere maatstaf dan voor berusting geldt.
ondubbelzinnigmoet doen blijken van de wil zich bij de desbetreffende uitspraak neer te leggen. [18] Als die voorwaarde is vervuld, dan kan jegens de wederpartij op het ontbreken van die wil geen beroep meer worden gedaan. [19]
een rechtsmiddel in te stellen).
Er is op dit moment dan ook geen reden om te onderhandelen over terugkoop van de grond door de gemeente. De wethouder benadrukt dat bestuurlijk verantwoordelijkheid wordt genomen, in eerste instantie door eenvoudigweg het bestemmingsplan door te zetten. Pas als dat misgaat is terugkoop van de grond tegen de huidige waarde (...) aan de orde. De grond zou dan de “duurste groenstrook van Wijchen ” worden en daar zit de gemeente niet op te wachten. Vandaar dat zolang het reëel is - en met positief verlopen gesprekken met de provincie en stadregio is het ook reëler geworden - dat de overeengekomen bestemming wordt gevestigd, die onderhandeling niet wordt gevoerd.’
ondubbelzinnigblijkt. Er mag geen twijfel over bestaan dat de in het ongelijk gestelde partij zich bij de uitspraak neerlegt. Dat is hier niet het geval. Een andersluidende interpretatie van hetgeen Thijsen toentertijd heeft gezegd is ook mogelijk, te weten dat hij (slechts) uitvoering wenste te geven aan het vonnis uit 2005, althans dat hij nog een slag om de arm hield wat betreft de terugkoop. Ook als de omstandigheden wijzen op berusting in een rechterlijke uitspraak, maar de tegenovergestelde opvatting is evenzeer verdedigbaar, mag berusting niet worden aangenomen (vgl. HR 11 april 2003,
geengerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat de gemeente heeft berust in het tussenvonnis en eindvonnis, staan opgesomd in rov. 2.9. Rov. 2.10 [27] bevat vervolgens de motivering van het oordeel van het hof dat [verweerders] er
welgerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de gemeente zich ondubbelzinnig bij het tussenvonnis en eindvonnis heeft neergelegd. Scheidslijn is de schadeprocedure.
destijds– dat wil zeggen ten tijde van het wijzen van het eindvonnis in 2005 – bij het tussenvonnis en eindvonnis heeft neergelegd. Het subonderdeel verwijst hierbij naar de door het hof geciteerde passages in de memorie van grieven en naar par. 22 van de antwoordakte van de gemeente. Volgens het subonderdeel (onder a) wisten [verweerders] of behoorden zij te weten dat de gemeente destijds wel hoger beroep heeft ingesteld en dat zij zich dus vergiste. Het subonderdeel voert onder b aan dat de berusting destijds (in 2005) niet kan zien op enige berusting op een later moment.
in eerder stadium(curs. A-G) daadwerkelijk bij de vonnissen had neergelegd.
in een eerder stadiumuit uitlatingen van de gemeente
in een later stadium, te weten in de memorie van grieven van 9 juni 2015.
1.6.caf, waarin nogmaals wordt aangevoerd dat [verweerders] er ook vanaf 2009 nog rekening mee hielden dat de appelprocedure zou worden doorgezet en in dat verband om aanhouding van de appelprocedure met 53 weken vroegen.
1.6.bin de eerste klacht dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat de stellingen van de gemeente in de door het hof aangehaalde passages uit de memorie van grieven van 9 juni 2015 (schadeprocedure) enkel zien op het achterwege blijven van het instellen van hoger beroep in 2005 [32] , terwijl de gemeente toen in werkelijkheid wel hoger beroep heeft ingesteld. Zonder nadere, ontbrekende motivering valt daarom volgens het subonderdeel niet in te zien waarom die stelling van de gemeente, mede in het licht van het niet-opbrengen van de zaak en het tijdsverloop vanaf 2009, [verweerders] ’ vertrouwen in de berusting zou kunnen rechtvaardigen of daaraan zou kunnen bijdragen. [verweerders] wisten of behoorden immers te weten dat die stelling onjuist was.
subonderdeel 1.8is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd omdat het hof niet is nagegaan of andere omstandigheden dan kennis van [verweerders] van de vergissing afbreuk doen aan het vertrouwen van [verweerders] , terwijl de gemeente heeft gesteld dat (a) [verweerders] er ook in 2009 nog rekening mee hielden dat de gemeente de appelprocedure zou doorzetten en in dat kader om aanhouding vroegen [33] en (b) [verweerders] wisten of behoorden te weten dat de gemeente wel hoger beroep had ingesteld.
ook alwisten/behoorden zij te weten dat de gemeente aanvankelijk een appeldagvaarding had uitgebracht” (curs. A-G).
aen
cvoort op respectievelijk de subonderdelen 1.9 en 1.6. In zoverre deelt het subonderdeel dan ook in het lot van die subonderdelen.
bkan het feit dat de gemeente zich later dan 2005 of 2009 nog bij het tussenvonnis en eindvonnis heeft kunnen neerleggen in ieder geval niet op begrijpelijke wijze eraan af kan doen dat [verweerders] moesten begrijpen dat de gemeente zich vergiste omtrent het in 2005 ingestelde appel.
ddat voor zover het hof met zijn overweging dat de gemeente zich nog later bij de vonnissen heeft kunnen neerleggen het oog heeft op andere dan in het arrest weergegeven [39] latere gedragingen van de gemeente, dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd omdat het hof omtrent het bestaan, laat staan de inhoud van die andere gedragingen, niets vaststelt. Onder
ewordt betoogd dat de enkele mogelijkheid dat de gemeente zich later heeft
kunnenneerleggen bij het tussenvonnis en eindvonnis niet relevant is, omdat het juist gaat om de vraag of de gemeente
daadwerkelijkin het tussenvonnis en eindvonnis heeft berust (curs. subonderdeel).
dniet duidelijk op welke “latere gedragingen” wordt gedoeld.