Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) primair: de eindbeschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen af te wijzen;
- ii) (meer) subsidiair: een nader (NIFP
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Kamerstukken II1993/94, 22 487, nrs. 15 en 18;
Handelingen II1993/94, p. 4135-4161).
equality of arms’. Het gaat erom dat de ouder in staat wordt gesteld om weerwoord te bieden aan hetgeen de Raad voor de Kinderbescherming – of, zo voeg ik toe, de gecertificeerde instelling als uitvoerder van de maatregel (vgl. art. 1.1 van de Jeugdwet) – heeft aangevoerd over de noodzaak van de verzochte maatregel van jeugdbescherming. Conform deze ratio wordt aangenomen dat art. 810a lid 2 Rv niet is beperkt tot gevallen waarin een recent onderzoeksverslag ten grondslag ligt aan de verzochte maatregel. [19]
uithuisplaatsingter discussie staat. Het wettelijk stelsel houdt immers in dat een uithuisplaatsing (art. 1:265a e.v. BW) slechts mogelijk is in het kader van een ondertoezichtstelling (art. 1:254 e.v. BW). Dienovereenkomstig verklaarde de staatssecretaris bij de behandeling van het amendement dat tot invoering van art. 810a lid 2 Rv heeft geleid (waarvan hij zelf overigens geen voorstander was):
ratiovan art. 810a lid 2 Rv speelt bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol, aangezien een uithuisplaatsing als kinderbeschermingsmaatregel nog dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling.
tijdelijkemaatregel, voor gevallen waarin de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn in staat zullen zijn de verzorging en opvoeding weer op zich te nemen (art. 1:255 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW). Verlengingen zonder perspectief op terugplaatsing bij de ouder(s) zijn in de visie van de wetgever niet mogelijk. Ontbreekt perspectief op terugplaatsing, dan is een beëindiging van het ouderlijk gezag aangewezen (art. 1:266, aanhef en onder a, BW). [22] Indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, dient het verzoek tot verlenging vergezeld te gaan van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (art. 1:265j lid 3 BW). De achterliggende gedachte is dat het na zoveel tijd de vraag is, of nog perspectief bestaat op terugplaatsing. [23]
impliciethet oordeel heeft willen neerleggen dat hetzij het verzoek van de moeder om contra-expertise niet voldoende concreet en ter zake dienend was, hetzij de inwilliging van dat verzoek in strijd zou zijn met het belang van de kinderen (de twee, in alinea 2.2 hiervoor genoemde afwijzingsgronden). Ik verken hieronder deze mogelijkheden.
beëindiging van het gezagwegens het ontbreken van een perspectief op terugplaatsing (vgl. art. 1:266 e.v. BW). In deze zaak was de beëindiging van het gezag (nog [25] ) niet aan de orde. Dat was echter niet de reden om het verzoek van de moeder ter zijde te stellen: in (de derde volzin van) rov. 5.5 heeft het hof het oordeel van de kinderrechter uitdrukkelijk overgenomen. Kennelijk is ook het hof van oordeel dat het vooruitzicht is dat deze kinderen permanent in de pleeggezinnen zullen blijven omdat thuisplaatsing bij de moeder niet mogelijk is, zoals de kinderrechter overwoog. Hiervan uitgaande, is niet zonder meer duidelijk waarom het verzoek van de moeder – zoals in rov. 5.2 weergegeven door het hof – niet ter zake dienend werd geacht. Met haar verzoek om een contra-expertise heeft de moeder kennelijk tegenover dat perspectief een ander perspectief willen stellen waarin een thuisplaatsing bij de moeder niet wordt uitgesloten.
op zichzelfte belastend heeft geacht voor het kind, in de praktijk relatief zeldzaam zijn. [26] Sterker nog, uit het in alinea 1.2 e.v. besproken procesverloop blijkt dat ook de GI in deze zaak aanvankelijk aanstuurde op een deskundigenonderzoek. De GI baseerde zich daarbij op eerdere beslissingen van de kinderrechter. In de loop van de procedure is de moeder echter geconfronteerd met de door de kinderrechter en het hof onderschreven opvatting van de GI, dat het verblijfsperspectief van de kinderen inmiddels binnen de pleeggezinnen is komen te liggen. De meergenoemde ratio van art. 810a lid 2 Rv brengt dan mee dat de moeder, mits haar verzoek aan de daarvoor geldende vereisten voldeed, in staat dient te worden gesteld om met behulp van een (nader) deskundigenonderzoek weerwoord te bieden aan die opvatting van de verzoekende instelling. [27] Tegen die achtergrond acht ik het oordeel dat het hof zich ‘voldoende voorgelicht’ acht, niet voldoende voor de gevolgtrekking dat het gevraagde nader onderzoek in strijd is met het belang van de kinderen.