De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd, dan wel heeft gedwongen tot betaling van zijn schuld aan [B] BV (hierna: [B] ). Mogelijk heeft [slachtoffer] later nadat hij op internet gegevens heeft nagetrokken over de verdachte, zijn contact met de verdachte als bedreigend ingevuld. Er is echter geen enkel steunbewijs voor de uitlatingen die [slachtoffer] in zijn aangifte aan de verdachte toeschrijft. De verdachte moet ook reeds wegens het ontbreken van opzet met betrekking tot afpersing worden vrijgesproken.
Oordeel van het hof
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt het volgende. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft de verdachte verzocht een vordering voor hem te innen die [medeverdachte 2] had op [C] .
Op 4 juli 2011 heeft medeverdachte [betrokkene 2] telefonisch contact met de verdachte. In dit gesprek heeft [betrokkene 2] gezegd dat hij bij [B] , dat wil zeggen bij [medeverdachte 2] , is geweest en dat [medeverdachte 2] een brief heeft afgegeven met iets wat de verdachte moet regelen. Dit gesprek gaat verder over de aankoop van kleding bij [medeverdachte 2] , eventuele sponsoring door [medeverdachte 2] en dat het er uiteindelijk op neerkomt dat de verdachte aan [medeverdachte 2] € 20.000 moet betalen. In dat telefoongesprek heeft [betrokkene 2] aan de verdachte meegedeeld dat hij stukken heeft meegekregen van [medeverdachte 2] waarin staat dat een ander bedrijf (het hof begrijpt [C] ) nog € 46.000 aan [medeverdachte 2] moet betalen. [medeverdachte 2] wilde de verdachte vragen om er druk achter te zetten bij die mensen.
[betrokkene 2] heeft bij de politie verklaard dat hij erbij was toen [medeverdachte 2] aan de verdachte kleding liet zien en dat [medeverdachte 2] vertelde van zijn vordering op [slachtoffer] en dat [medeverdachte 2] niet door kon dringen bij [slachtoffer] en hem niet kon bereiken.
De verdachte heeft na dit telefoongesprek op 4 juli 2011 telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 2] en gezegd dat het geregeld gaat worden. Ook wordt afgesproken dat als [medeverdachte 2] hierover benaderd mocht worden hij moet doen of hij van niks weet. Uit een sms van 16 juli 2011 van de verdachte aan [medeverdachte 2] blijkt dat [medeverdachte 2] – desgevraagd – moet doen alsof hij al betaald is door de verdachte.
Nadat [slachtoffer] heeft betaald, vindt op 12 juli 2011 een sms-wisseling plaats tussen de verdachte en [medeverdachte 2] . De verdachte bericht [medeverdachte 2] dat alles is geregeld, 'alleen ze zeggen dat het bedrag lager is', en dat [medeverdachte 2] alles kan weggooien. [medeverdachte 2] reageert: "Echt niet waar, zie papier!" Daarop bericht de verdachte dat hij zich niet druk moet maken, "niemand neemt meer contact met je op voor dit en als je ze ooit spreekt buigen ze voor je".
Daarnaast blijkt uit de stukken het volgende. Een paar dagen voor 6 juli 2011 is [slachtoffer] gebeld door de verdachte met de mededeling dat hij kleding wilde bestellen bij [slachtoffer] . De verdachte heeft op 6 juli 2011 in het wegrestaurant Van der Valk (in de buurt van Breda) een afspraak gemaakt met [slachtoffer] over de aankoop van kleding voor [A] . De verdachte was die dag in gezelschap van [betrokkene 2] ; deze heeft zich afzijdig gehouden van het gesprek. De verdachte heeft toen aan [slachtoffer] een envelop gegeven waarin zich stukken bevonden inzake de vordering van [medeverdachte 2] op [C] . De verdachte heeft toen tegen [slachtoffer] gezegd dat hij een vordering van [B] had overgenomen en dat die vordering van € 52.000 op het hoofd van [slachtoffer] stond. Vervolgens heeft de verdachte tegen [slachtoffer] bedreigingen geuit zoals weergegeven in de tenlastelegging. Na de ontmoeting heeft de [slachtoffer] dreigtelefoontjes en -sms'jes ontvangen van de verdachte. De strekking daarvan was dat zij er aan zouden komen en dat het geen zin had te vluchten. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij deze bedreigingen heeft ontvangen in de vorm van sms'jes en dat deze niet werden opgeslagen op zijn telefoon. Dit neemt niet weg dat er contact moet zijn geweest tussen de verdachte en [slachtoffer] . Immers, op 9 juli 2011 laat de verdachte aan [medeverdachte 2] weten "stress in Breda".
[slachtoffer] heeft na het gesprek op 8 en 9 juli 2011 telefonisch contact opgenomen met de politie te Breda en aangegeven dat hij werd bedreigd door – zo begrijpt het hof – de verdachte. Ook is een afspraak gemaakt om op 12 juli 2011 in persoon aangifte te doen. [slachtoffer] heeft die afspraak op 12 juli 2011 afgezegd omdat hij bang was voor de gevolgen daarvan.
[slachtoffer] heeft [medeverdachte 2] op 7 juli 2011 benaderd om uitleg; deze deed of zijn neus bloedde. Ook heeft hij zijn voormalige compagnons gevraagd om hulp en heeft hij uiteindelijk met behulp van zijn zoon het geld bijeen gebracht. Op 11 juli 2011 heeft de [slachtoffer] , in het bijzijn van zijn zoon, bij [A] aan de verdachte € 49.000 betaald.
Na de aanhouding van de verdachte is de politie (i.c. de leden van het onderzoeksteam in de zaak Courage) op 14 oktober 2011 onderzoek geweest bij [slachtoffer] . Uit de mutatie blijkt dat de vrouw van [slachtoffer] toen heeft gezegd dat zij door een hel zijn gegaan en de afspraak van 12 juli 2011 bij de politie te Breda hebben afgezegd uit angst. [slachtoffer] heeft vervolgens op 14 oktober 2011 aangifte gedaan van afpersing. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij directeur is geweest van [C] en dat hij tijdens zijn directeurschap zaken heeft gedaan met [A] en met [B] , waarvan [medeverdachte 2] eigenaar was. [C] is failliet gegaan. [slachtoffer] was toen al geen directeur meer. Omstreeks februari/maart 2011 is [slachtoffer] bezocht door [medeverdachte 2] , die een regeling wilde treffen voor een openstaande factuur van [B] op [C] ten bedrage van ongeveer € 25.000. [slachtoffer] heeft gewezen op het faillissement en zijn eigen positie en heeft aangegeven dat hij die factuur ook niet kon betalen. Hij heeft [medeverdachte 2] verwezen naar de toenmalige eigenaren.
[betrokkene 3] , de zoon, heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – bevestigd dat zijn vader hem om hulp heeft gevraagd omdat hij werd afgeperst en op zeer korte termijn € 52.000 moest betalen. [betrokkene 3] heeft daarop met spoed geld van zijn bankrekening opgenomen.
In het dossier is een kopie gevoegd van de originele faillissementsaanvraag van [C] . Hierop is vermeld dat [D] BV, gevestigd te Enschede, verzoekster 1 is. Dit in tegenstelling tot de bij [A] aangetroffen bescheiden, waarop bij zowel 1 als 2 [B] als verzoekster staat en als gevolg daarvan twee vorderingen heeft op [C] .
Het hof leidt uit de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden af dat de verdachte zich tegenover [medeverdachte 2] bereid heeft verklaard een vordering te innen door druk uit te oefenen op [slachtoffer] . De verdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van de stukken die [medeverdachte 2] hem heeft gegeven en heeft met [medeverdachte 2] afgesproken dat hij zal doen voorkomen dat hij de vordering van [medeverdachte 2] heeft overgenomen. Tegen [slachtoffer] heeft de verdachte gezegd dat de vordering € 52.000 bedroeg. Het hof stelt vast dat de brief die [betrokkene 2] van [medeverdachte 2] heeft meegekregen vervalst is. Uit dit stuk blijkt dat [B] twee vorderingen (punten 1 en 2) op [C] zou hebben, terwijl uit het originele stuk blijkt dat [B] één vordering heeft van € 23.128,65. Nu [betrokkene 2] op basis van de stukken die hij heeft meegekregen van [medeverdachte 2] tegenover de verdachte spreekt over een vordering van € 46.000 kan het niet anders zijn dan dat [medeverdachte 2] [betrokkene 2] een vervalst stuk heeft meegegeven waarin zijn oorspronkelijke vordering van circa € 25.000 is verhoogd tot € 46.000. Deze gang van zaken vindt ook bevestiging in de e-mail van 7 juli 2011 van [slachtoffer] aan [medeverdachte 2] . [slachtoffer] vermeldt daarin de zeer negatieve en als onprettig ervaren benadering door de verdachte op 6 juli 2011 en daarin geeft [slachtoffer] ook aan dat door de verdachte een veel hogere vordering is ingediend dan de hem bekende vordering van ongeveer € 25.000. De verdachte heeft, zonder dat daarvoor uit het dossier de reden blijkt, de vordering op enig moment kennelijk verhoogd van € 46.000 tot een bedrag van € 52.000 en getracht dit gehele bedrag van [slachtoffer] te ontvangen.
Door met [medeverdachte 2] af te spreken dat hij zich afzijdig houdt als [slachtoffer] hem over de vordering benadert, kon de verdachte bij de inning zelfstandig te werk gaan. Uit het feit dat de verdachte aan [medeverdachte 2] een bericht stuurt dat er stress is in Breda, leidt het hof af dat de verdachte er op uit was om [slachtoffer] te bedreigen. Ook de zinsnede in een bericht aan [medeverdachte 2] "buigen ze voor je" kan niet anders worden verstaan dan dat de verdachte de schrik er goed heeft ingejaagd bij [slachtoffer] . Noch [medeverdachte 2] noch de verdachte hebben voor deze sms-wisseling en het taalgebruik een andere, begrijpelijke en afdoende verklaring kunnen geven.
Het hof stelt verder vast dat [slachtoffer] , die niet persoonlijk aansprakelijk was voor de vordering van ruim € 23.000 van [medeverdachte 2] op [C] , na inschakeling van familie binnen een zeer kort tijdsbestek op 11 juli 2011 in contanten – en naar het hof begrijpt zonder kwitantie – aan de verdachte € 49.000 afdraagt terwijl hij aan de verdachte geen schuld had. Daarbij had zijn zoon nog een bedrag van € 3.000 in zijn schoenen voor het geval de verdachte geen genoegen zou nemen met betaling van € 49.000 in plaats van de door hem geëiste € 52.000. Naar het oordeel van het hof is [slachtoffer] enkel overgegaan tot betaling omdat hij zich daartoe door de door de verdachte geuite bedreigingen zoals de [slachtoffer] verwoordt.
Dat betekent dat het hof, mede gelet op de overige te bezigen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer] op de wijze zoals hierna is bewezenverklaard."