Conclusie
273. In particular, the requirement that victims have been compelled to be involved in unlawful activities shall be understood as comprising, at a minimum, victims that have been subject to any of the illicit means referred to in Article 4, when such involvement results from compulsion.
274. Each Party can comply with the obligation established in Article 26, by providing for a substantive criminal or procedural criminal law provision, or any other measure, allowing for the possibility of not punishing victims when the above mentioned legal requirements are met, in accordance with the basic principles of every national legal system.” [2]
Non-punishment en de Aanwijzing mensenhandelDe leden van de
SP-fractie vragen aandacht voor de implementatie van artikel 8 van Pro de richtlijn. In die bepaling ligt het zogeheten non-punishmentbeginsel besloten. Dat beginsel verplicht de lidstaten ertoe te voorzien in de
mogelijkheidom strafvervolging of bestraffing achterwege te laten wanneer de schuldige als slachtoffer van mensenhandel tot het plegen van het strafbare feit is gedwongen. Die mogelijkheid verschaft de Nederlandse strafwetgeving reeds. Zo kan het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel (artikel 167 van Pro het Wetboek van Strafvordering) gebruik maken van de mogelijkheid om dit soort zaken te seponeren. En als een dergelijke zaak toch voor de rechter wordt gebracht, biedt artikel 9a Sr de mogelijkheid van een rechterlijk pardon. Met dit wettelijk instrumentarium voldoet Nederland aan de verplichting in artikel 8 van Pro de richtlijn. In aanvulling hierop – en omwille van een eenduidige en precieze implementatie van de richtlijn – wordt het non-punishment-beginsel «geïmplementeerd» en als het ware «geoperationaliseerd» in de nieuwe Aanwijzing Mensenhandel. Daarin wordt nadrukkelijk voorgeschreven dat slachtoffers van mensenhandel recht hebben op bescherming tegen vervolging en bestraffing wegens criminele activiteiten, tot het plegen waarvan zij zijn gedwongen of bewogen, als rechtstreeks gevolg van het feit dat zij slachtoffer van mensenhandel zijn. Verder bereidt het OM op dit moment een wijziging van de Aanwijzing sepotgronden voor waarin het non-punishment-beginsel eveneens steviger wordt verankerd. Aldus voldoet Nederland ruimschoots aan de verplichting van artikel 8 uit Pro de richtlijn en bestaat er geen aanleiding voor een aanvullende wettelijke regeling op dit punt.” [6]
Slachtoffers van mensenhandel hebben recht op bescherming tegen vervolging en bestraffing wegens criminele activiteiten, tot het plegen waarvan zij zijn gedwongen of bewogen, als rechtstreeks gevolg van het feit dat zij slachtoffer zijn van mensenhandel. Dit recht op bescherming staat niet in de weg aan een vervolging of bestraffing voor misdrijven die zij vrijwillig hebben begaan of waaraan zij vrijwillig hebben deelgenomen. In de gevallen waarin het evident is dat slachtoffers gedwongen zijn tot het plegen van misdrijven kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een sepot, het vorderen van schuldigverklaring zonder oplegging van straf (art. 9a Sr), of het toepassen van strafuitsluitingsgronden en/of strafvermindering.”
(…)
6.Het eerstemiddel
Inleidende beschouwing met betrekking tot het beginsel van non-prosecution/non-punishment
Vervolgens keert het middel zich tegen het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie in redelijkheid kon oordelen dat het op grond van het dossier niet evident is dat de verdachte door [medeverdachte] is gedwongen of bewogen tot het plegen van de feiten die aan haar zijn ten laste gelegd, zodat het openbaar ministerie met het instellen van vervolging tegen de verdachte niet heeft gehandeld in strijd met de Aanwijzing Mensenhandel. De steller van het middel valt met name over het gebruik van het woord ‘evident’ door het hof, omdat dit gelet op de Richtlijn een te beperkte invulling van de aan te leggen toetsingsmaatstaf zou inhouden. Het middel miskent daarmee echter dat de OM-Aanwijzing zelf betrekking heeft op dergelijke evidente gevallen. Gesteld daarin wordt immers: “In de gevallen waarin het evident is dat slachtoffers gedwongen zijn tot het plegen van misdrijven kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een sepot, het vorderen van schuldigverklaring zonder oplegging van straf (artikel 9a Sr), of het toepassen van strafuitsluitingsgronden en/of strafvermindering.” Aan die aldus geformuleerde Aanwijzing heeft het hof de vervolgingsbeslissing vervolgens getoetst en uit de motivering van het oordeel dienaangaande blijkt niet van een onjuiste uitleg van die Aanwijzing – die uiteraard recht is in de zin van art. 79 RO Pro.
Tenslotte komt het middel nog op tegen het oordeel van het hof dat het op grond van het dossier niet evident is dat de verdachte door [medeverdachte] is gedwongen of bewogen tot het plegen van de feiten die aan haar zijn ten laste gelegd. Dat betreft echter een feitelijk oordeel van het hof en dat kan niet in cassatie worden bestreden met het aanhalen van passages uit processtukken, waaruit volgens de steller van het middel een andere conclusie zou kunnen worden getrokken.
tweedemiddel richt zich tegen de verwerping door het hof van het beroep op psychische overmacht.
Strafbaarheid van de verdachte
Vooropgesteld wordt dat van psychische overmacht sprake is bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Beoordeeld moet dan ook worden of voormelde omstandigheden maken dat de verdachte zodanig onder druk stond van [medeverdachte] bij het leveren van een bijdrage aan de uitbuiting van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] dat sprake was van een dergelijke drang.
8.Het derdemiddel richt zich met drie deelklachten tegen de strafoplegging.
Oplegging van straf
situatiewaarin het slachtoffer verkeerde. Of dat laatste het geval is hangt naar het oordeel van het hof af van de concrete omstandigheden van het geval, waaronder (doch niet uitsluitend) de (aard van de) door de mensenhandelaar aangewende dwangmiddelen, de duur van de mensenhandelsituatie waarin het slachtoffer zich bevond, de mate van afhankelijkheid van het slachtoffer ten opzichte van de mensenhandelaar, de aard van de door het slachtoffer begane strafbare feiten en de rol en de eigen belangen daarbij en de (mate van) vrijwilligheid bij het plegen van die strafbare feiten.
Over de verhouding tussen haar en [medeverdachte] is aldus onvoldoende gebleken om te kunnen komen tot de conclusie dat hij haar heeft uitgebuit. Omdat het tegendeel echter evenmin zonder meer kan worden aangenomen, laat het hof in het midden of zij als slachtoffer in de zin van het beginsel kan worden aangemerkt. Het zal daarom ingaan op de vraag of de verdachte door haar situatie is gedwongen of bewogen tot het plegen van de bewezenverklaarde feiten.
Niettemin bespreek ik toch - kort - wat het hof op dit punt heeft overwogen. Hetgeen het hof in de eerste alinea van zijn overwegingen omtrent het beroep op toepassing van art. 9a Sr tot uitgangspunt neemt lijkt mij namelijk juist. Het hof overweegt daar dat straffeloosheid op zijn plaats is als de verdachte gedwongen of bewogen zou zijn geweest de tegen haar bewezen verklaarde strafbare feiten te plegen en deze feiten het rechtstreeks gevolg zouden zijn van de jegens dat slachtoffer gepleegde mensenhandel. Vervolgens verwijst het hof wat dit betreft naar hetgeen in het kader van de psychische overmacht werd overwogen. Daarin kwam het hof al tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld onder dwang of drang of dat zij is bewogen tot het medeplegen van mensenhandel jegens anderen.” Met nadere woorden: in het geval een dergelijke dwang of drang wel aannemelijk zou zijn geworden zou het beroep op psychische overmacht wel degelijk kans van slagen hebben gehad en zou dat tot een ontslag van alle rechtsvervolging hebben geleid. Vervolgens acht het hof de vraag naar de mate van dwang of drang, ook al leidt dat niet tot het slagen van het gedane beroep op psychische overmacht, alsmede de situatie waarin de verdachte, als gesteld slachtoffer van mensenhandel verkeerde, van belang voor de vraag of wellicht toepassing dient te worden gegeven aan art. 9a Sr. Zo gelezen acht ik de overwegingen van het hof alleszins begrijpelijk en faalt de daarop gerichte klacht in het middel. Waar het middel wil betogen dat het hof die factoren gelet op het non-punishment-beginsel anders had moeten waarderen kan daartegen worden ingebracht dat de overwegingen van het hof, zoals door mij begrepen, geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.
Voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen
vierdemiddel richt zich tegen de toekenning aan de benadeelde partij [betrokkene 2] van een bedrag van € 9.900,- als materiële schade.