Conclusie
daadwerkelijkebuitenlandse belangstelling voor de opdracht was. RET c.s. voeren een vergelijkbaar betoog in hun cassatieberoep (zaaknummer 17/00170).
1.Feiten
2.Het procesverloop
PbEUL 94 d.d. 28 maart 2014) zijn omgezet. Deze nieuwe richtlijn is van toepassing op concessies met een waarde gelijk aan of groter dan € 5.186.000,--. In het onderhavige geval is voormelde richtlijn niet van toepassing. De relevante feiten hebben zich allemaal voorgedaan, voordat deze nieuwe richtlijn in werking is getreden; Exterion heeft op 15 maart 2016 via een persbericht bekendgemaakt dat de samenwerking met RET zou worden voortgezet en RET heeft het bestaan van deze overeenkomst bij persbericht van 18 maart 2016 erkend. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de bepalingen uit deze richtlijn, voor zover ze rechtstreekse werking hebben, anticiperend toe te passen. Dit zou in strijd komen met de rechtszekerheid.
duidelijk grensoverschrijdend belang … weer te geven van concessies voor ondernemers die gevestigd zijn in andere lidstaten dan die van de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie”.
totale tijdens de looptijd van het contract te behalen omzet van de concessiehouder, exclusief btw, zoals deze door de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie is geraamd, als tegenprestatie voor de werken en diensten die het voorwerp van de concessie uitmaken, en ook voor de bijkomende leveringen die in het kader van deze werken en diensten zijn verricht”. JCDecaux heeft de omzet geraamd op circa € 100 miljoen. De hoogte van dit bedrag is door RET c.s. en Exterion niet gemotiveerd bestreden. RET c.s. hebben op hun beurt aangevoerd dat moet worden uitgegaan van de waarde die moet worden toegekend aan de plaatsing, beheer en onderhoud van de reclameobjecten, die Exterion ten behoeve van RET c.s. verricht. Zonder een concreet bedrag te noemen hebben RET c.s. gesteld dat deze waarde niet hoog genoeg is om buitenlandse gegadigden aan te trekken (rov. 35.).
3.Juridisch kader
Het doel van het aanbestedingsrecht
Europese beginselen van aanbestedingsrecht
ex antebeoordeling) vaststellen of de te verlenen opdracht aan dit criterium voldoet. De aanbestedende dienst moet dus een inschatting kunnen maken van het belang van de opdracht voor partijen uit andere lidstaten. Verder moet voorkomen worden dat een binnenlandse partij, die de opdracht heeft misgelopen, zich genoodzaakt ziet buitenlandse partijen te benaderen om – al dan niet voor de vorm – in rechte als mede-eiser op te treden teneinde aan te tonen dat er belangstelling uit het buitenland was.
duidelijk grensoverschrijdende belang … weer te geven van concessies voor ondernemers die gevestigd zijn in andere lidstaten dan die van de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie.”Het voornemen tot het gunnen van een concessie moet bekend worden gemaakt met een concessieaankondiging (art. 31 Richtlijn Pro). De Richtlijn Concessieovereenkomsten diende uiterlijk op 18 april 2016 te worden geïmplementeerd, hetgeen in Nederland overigens pas op 1 juli 2016 is gebeurd (randnummer 3.4).
Tijdschrift Vastgoed Fiscaal & Civielwordt de lijn van het Haagse hof verdedigd en de insteek van het Bossche hof onjuist geacht: [48]
“waarschijnlijk is dat ondernemingen uit andere lidstaten bij een marktbevraging belangstelling zouden hebben getoond.”Het uiten van daadwerkelijke belangstelling is niet vereist, maar het is niet voldoende als het bestaan van duidelijk grensoverschrijdend belang slechts niet kan worden uitgesloten. Met dit laatste lijkt in ieder geval van tafel te zijn dat alle opdrachten in Nederland zonder meer een duidelijk grensoverschrijdend belang zouden hebben, vanwege de nabijheid van de grenzen met België en Duitsland. Zodra een duidelijk grensoverschrijdend belang eenmaal vaststaat, geldt de transparantieverplichting overigens niet alleen jegens ondernemingen uit andere lidstaten, maar jegens elke potentiële inschrijver.”
4.Beoordeling van de klachten
Onderdeel 1klaagt dat het hof de door het HvJ EU geformuleerde criteria voor het aannemen van een duidelijk grensoverschrijdend belang ten onrechte als alternatieve criteria en niet als cumulatieve vereisten heeft aangemerkt.
Onderdeel 2, bestaande uit twee subonderdelen, richt zich tegen de overweging van het hof dat de geschatte omzet uit de overeenkomst zo substantieel is dat een reële mogelijkheid bestaat dat ondernemingen in andere lidstaten bij een passende mate van openbaarheid belangstelling zouden hebben getoond. Het oordeel van het hof is een verkapte anticipatie op de Richtlijn Concessieovereenkomsten.
Onderdeel 3ziet op de verwerping door het hof van het standpunt van Exterion dat het
waarschijnlijkmoet zijn dat ondernemingen uit andere lidstaten belangstelling zouden hebben getoond. Het moet, aldus het onderdeel, gaan om een reële mogelijkheid.
Onderdeel 4, bestaande uit twee subonderdelen, betreft de vraag of (potentiële) buitenlandse belangstelling ook kan bestaan uit ondernemingen uit andere lidstaten die zich permanent in Nederland hebben gevestigd of Nederlandse ondernemingen hebben geacquireerd.
Onderdeel 5is een voortbouwende klacht.
subonderdelen 2.1 en 2.2falen. Dat het hof verkapt zou hebben geanticipeerd op Richtlijn Concessieovereenkomsten 2014/23/EU, die ten tijde van de onderhavige opdracht nog niet in werking was getreden, zoals subonderdeel 2.1 betoogt, berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat voor het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ met name het economische belang van de geplande overeenkomst, de plaats van uitvoering of de technische kenmerken ervan bepalend zijn. Het hof heeft in rov. 33. vervolgens overwogen dat de overeenkomst weliswaar is gesloten op een tijdstip waarop de Richtlijn Concessieovereenkomsten nog niet was geïmplementeerd of direct werking had, doch dat uit de drempelwaarde uit die Richtlijn een aanwijzing kan worden ontleend voor de vaststelling van het vereiste economische belang.
onderdeel 3richt zich tegen rov. 38. tot en met 40. Het hof heeft hier het standpunt van Exterion verworpen dat het
waarschijnlijkmoet zijn dat ondernemingen uit andere lidstaten belangstelling zouden hebben getoond. Het hof acht voldoende dat er een ‘reële mogelijkheid’ is dat buitenlandse ondernemingen interesse zouden hebben (rov. 38.) en dat het ontbreken van buitenlandse gegadigden bij andere aanbestedingen ‘niet uitsluit’ dat sprake kan zijn van een duidelijk grensoverschrijdend belang (rov. 40.), terwijl het feit dat JCDecaux Nederland en niet JCDecaux SA heeft ingeschreven op andere aanbestedingen volgens het hof ‘niet zonder meer [wijst] op het ontbreken van een duidelijk grensoverschrijdend belang’. Het hof heeft dit onderbouwd met het gegeven dat de overeenkomst een substantiële waarde kent en het gegeven dat JCDecaux Nederland, Exterion en Clear ChanneL Netherlands BV [57] deel uitmaken van internationale concerns. Onderdeel 3 klaagt in dit verband dat het hof van een te abstracte toets is uitgegaan. Het hof zou hebben miskend dat volgens de jurisprudentie van het HvJ EU het bestaan van het duidelijk grensoverschrijdend belang niet louter hypothetisch kan worden afgeleid uit bepaalde gegevens van de overeenkomst, maar dat de rechter door een ‘gedetailleerde beoordeling van alle relevante gegevens’ dient te bepalen of de overeenkomst ‘daadwerkelijk’ een duidelijk grensoverschrijdend belang vertoont. [58] Het hof zou zijn oordeel bovendien onvoldoende hebben gemotiveerd door het bestaan van het duidelijk grensoverschrijdend belang slechts te baseren op genoemde abstracte mogelijkheden, de waarde van de overeenkomst en op de internationale achtergrond van JCDecaux Nederland, Exterion en Clear ChanneL Netherlands zonder daarbij aan te geven waarom deze gegevens in dit geval concreet en op positieve wijze op een duidelijk grensoverschrijdend belang duiden.
subonderdeel 4.1,onjuist, omdat het hof ook hier zou miskennen dat een duidelijk grensoverschrijdend belang op positieve wijze moet blijken uit een gedetailleerde beoordeling van alle objectieve aspecten van de overeenkomst. De enkele omstandigheid dat lokaal gevestigde rechtspersonen deel uit maken van internationale concerns, is daartoe onvoldoende. Het hof zou daarbij uit het oog verloren hebben dat in het aanbestedingsrecht in principe geen sprake is van vereenzelviging van de inschrijver met het concern waartoe de inschrijver behoort.
subonderdeel 4.2,onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof voorbij ziet aan het feit dat JCDecaux SA het kennelijk noodzakelijk heeft gevonden om in Nederland JCDecaux Nederland over te nemen om reclame-exploitatieovereenkomsten zelfstandig uit te laten voeren. Dit zou juist een sterke aanwijzing zijn dat de overeenkomst een louter nationaal karakter heeft. [59] RET c.s. hebben gesteld dat JCDecaux over alle middelen beschikt om in Nederland zelfstandig actief te zijn. Dit vormt een aanwijzing dat overeenkomsten niet zonder meer uitvoerbaar zijn door buitenlandse partijen en daarom uitsluitend op lokale interesse kunnen rekenen. [60] In het licht van deze stellingen heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom buitenlandse belangstelling er ook uit kan bestaan dat ondernemingen uit andere lidstaten zich permanent in Nederland hebben gevestigd of Nederlandse ondernemingen hebben geacquireerd en waarom het feit dat JCDecaux Nederland en niet JCDecaux SA heeft ingeschreven op andere aanbestedingen niet zonder meer duidt op het ontbreken van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
acte clair [63] of
acte éclairé. [64] In de onderhavige zaak is mijns inziens – hoewel na deze cassatie geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat – geen sprake van een verwijzingsplicht. Het gaat hier immers om een kort geding-procedure. Verder heeft het HvJ EU in verschillende arresten (waaronder Belgacom en Tecnoedi) reeds invulling gegeven aan het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’, zodat zo bezien zou kunnen worden aangenomen dat sprake is van een acte éclairé.