ECLI:NL:PHR:2018:645
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het familiair verschoningsrecht in relatie tot het zwijgrecht van verdachte bij medeplegen diefstal
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal van een aanhangwagen met inhoud. De verdachte en haar broer werden kort na de diefstal staande gehouden met de gestolen aanhangwagen, waarbij zij probeerden de gebrekkige verlichting te repareren. Verdachte beriep zich steeds op haar zwijgrecht en gaf geen verklaring.
De A-G bespreekt uitgebreid de jurisprudentie over medeplegen, waarbij voor medeplegen nauwe en bewuste samenwerking vereist is. Het uitblijven van een aannemelijke verklaring kan meewegen in de bewijsvoering indien het bewijs om een verklaring schreeuwt en de verdachte deze niet geeft. Dit is in lijn met het EHRM-arrest Murray, waarin het zwijgrecht niet absoluut is en het zwijgen kan worden betrokken bij de bewijswaardering als sprake is van een "prima facie case".
De A-G oordeelt dat het familiair verschoningsrecht uit art. 217 Sv Pro alleen geldt voor getuigen en niet voor een verdachte die als zodanig wordt gehoord. Verdachte had dus geen recht op dit verschoningsrecht. Het feit dat verdachte familie is van medeverdachte betekent niet dat het hof haar zwijgen buiten de bewijswaardering had moeten houden. Wel moet de rechter behoedzaam zijn bij het betrekken van het zwijgen in de bewijswaardering, omdat zwijgen ook om andere redenen kan plaatsvinden.
De conclusie is dat het hof terecht het uitblijven van een aannemelijke verklaring heeft betrokken bij de bewijsvoering en dat het hof de verdachte terecht als medepleger heeft aangemerkt. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het hof heeft terecht de verdachte als medepleger veroordeeld en het beroep wordt verworpen.