Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
25 september 2018.
Hoge Raad
Op 31 oktober 2015 werd te Borculo een aanhangwagen met inhoud gestolen van de eigenaar. Kort daarna werden verdachte en haar broer met deze aanhangwagen aangetroffen door de politie. Verdachte maakte gebruik van haar zwijgrecht en gaf geen verklaring voor het bezit van de aanhangwagen.
Het hof oordeelde dat, mede gelet op het ontbreken van een aannemelijke verklaring en de nauwe samenwerking tussen verdachte en haar broer, sprake is van medeplegen diefstal. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en herhaalt eerdere jurisprudentie dat het niet geven van een aannemelijke verklaring kan worden betrokken in de bewijsoverwegingen, ook als verdachte zich beroept op het familiair verschoningsrecht.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en benadrukt dat het zwijgrecht niet verhindert dat het ontbreken van een aannemelijke verklaring meeweegt in het bewijs. Daarmee blijft de veroordeling voor medeplegen diefstal in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen diefstal blijft in stand.