ECLI:NL:PHR:2018:537

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2018
Publicatiedatum
1 juni 2018
Zaaknummer
16/05594
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, waarin de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens diefstal door twee of meer verenigde personen met braak.

De verdediging had in hoger beroep aangevoerd dat de redelijke termijn was overschreden, aangezien de zaak uit maart 2013 stamde en het meer dan twee jaar duurde voordat het hoger beroep werd behandeld. Het hof had op dit verweer niet met redenen omkleed beslist, wat volgens de advocaat-generaal een schending van het recht op een redelijke termijn oplevert.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof op straffe van nietigheid een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing had moeten geven op het verweer over de redelijke termijn, wat niet is gebeurd. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep leidt doorgaans tot strafvermindering.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en vermindert de straf, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor wat betreft de strafoplegging en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Conclusie

Nr. 16/05594
Zitting: 29 mei 2018
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van aan de verdachte in beslag genomen voorwerpen.
Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (16/05596) en [medeverdachte 2] (16/05597), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van de schending van de redelijke termijn.
De stukken van het geding houden – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
(i) De verdachte is bij vonnis van 20 juni 2014 door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld.
(ii) Namens de verdachte is op 23 juni 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 20 juni 2014.
(iii) Het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 3 november 2016 veroordeeld. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016 en 20 oktober 2016.
(iv) Namens de verdachte is op 15 november 2016 beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 3 november 2016.
6. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2016 gehechte pleitnota blijkt dat de raadsvrouwe van de verdachte het volgende heeft aangevoerd:
“Voorts dient in alle zaken rekening te worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn. Het betreft namelijk een oude zaak, namelijk uit maart 2013. Het heeft een jaar en 3 maanden geduurd alvorens de zaak in eerste aanleg was afgehandeld. Vervolgens heeft het meer dan 2 jaar geduurd alvorens de zaak in hoger beroep wordt behandeld. Derhalve dient de straf gematigd te worden.”
7. Het aangevoerde kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een beroep op strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het hof had hierop op straffe van nietigheid een uitdrukkelijk met redenen omklede beslissing moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond. [1]
8. Uit het onder 5 weergegeven tijdsverloop vanaf het instellen van het hoger beroep tot het moment van de uitspraak van het hof volgt dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, welke overschrijding pleegt te leiden tot strafvermindering. [2] De Hoge Raad kan het middel om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. [3]
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie onder meer HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:947, HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1485 en HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5176 en BW5177.
2.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
3.Vgl. onder meer HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1485, HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2001, HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2012, HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5176 en BW5177.