Conclusie
eerste middelwordt betoogd dat het bestreden arrest in aanmerking komt voor vernietiging, nu uit dit arrest niet kan worden opgemaakt dat de beraadslaging in hoger beroep op de voet van art. 422, tweede lid, Sv mede is geschied naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en de verdachte door de gestelde niet-naleving van art. 422, tweede lid, Sv in zijn belangen is geschaad.
Onderzoek van de zaak
tweede middelbevat een klacht over de afwijzing door het hof van een verzoek van de verdediging tot toevoeging aan het dossier van stukken met betrekking tot een tweetal rechtshulpverzoeken.
derde middelbetreft een klacht over de afwijzing van een verzoek van de verdediging met betrekking tot (de stukken) uit het dossier van het Belgische onderzoek ‘Stamps’.
vierde middelwordt erover geklaagd dat de aanvulling bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv in strijd met het bepaalde in art. 365b, eerste lid, Sv niet is ondertekend door een van de rechters die het verkorte vonnis hebben gewezen dan wel door de voorzitter van het hof.
vijfde middelbevat de klacht dat – wat betreft het in de zaak met parketnummer 02-984829-06 onder 1 primair bewezenverklaarde medeplegen van het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van honderddertien kilogram amfetamine – uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de door het NFI geteste monsters afkomstig zijn geweest uit de op 18 maart 2008 in beslag genomen en aan de verdachte gekoppelde substanties.
Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en conclusie
KenmerkOmschrijvingConclusie
zesde middelbetreft een bewijsklacht ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-984829-06 onder 1 primair bewezenverklaarde medeplegen van het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van honderddertien kilogram amfetamine. De steller van het middel wijst erop dat het hof in zijn motivering van dit deel van de bewezenverklaring onder meer heeft verwezen naar de inhoud van een gesprek van medeverdachte [medeverdachte 2] van 20 mei 2008. Aangezien het betreffende gesprek door het hof niet is opgenomen bij de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 primair van de zaak met parketnummer 02-984829-06, is de bewezenverklaring van dit feit volgens de steller niet toereikend gemotiveerd.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
zevende middelklaagt erover dat het hof voor zijn bewijsoordeel ten aanzien van het medeplegen van het verkopen, afleveren en vervoeren van amfetamine (feit 1 primair in de zaak met parketnummer 02-984820-06) mede is afgegaan op de als bewijsmiddel 2 gebezigde inhoud van een gesprek van 7 maart 2008, waarin wordt gesproken over een te vervoeren lading van honderd kilo. Nu de uiteindelijk in beslag genomen en bewezen verklaarde hoeveelheid amfetamine geen honderd maar honderddertien kilo bedraagt, zou het onbegrijpelijk zijn dat de laatstgenoemde hoeveelheid van honderddertien kilo met de in het gesprek van 7 maart 2008 genoemd hoeveelheid van honderd kilo in verband heeft gebracht. Van onbegrijpelijkheid is hier echter in het geheel geen sprake, alleen al niet omdat in het gesprek van 7 maart 2008 in weinig nauwkeurige bewoordingen over de te vervoeren lading amfetamine wordt gesproken en dit gesprek bovendien alleen de voorbereiding van het vervoer van de amfetamine betreft zodat niet valt uit te sluiten dat op enig later moment nog een bepaalde hoeveelheid aan de te vervoeren hoeveelheid amfetamine is toegevoegd.
achtste middelbevat een klacht over een bewijsoordeel van het hof met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-984816-10 onder 1 primair bewezen verklaarde gewoontewitwassen en meermaals medeplegen van witwassen. Het betreffende oordeel houdt in dat een drietal onder de verdachte c.q. de partner van de verdachte in beslag genomen horloges van het merk Guess is gefinancierd met van misdrijf afkomstig geld. Volgens de steller van het middel is dit oordeel onbegrijpelijk, met name omdat het hof tevens (op onbegrijpelijke wijze) heeft geoordeeld dat niet relevant is of de genoemde horloges door de verdachte en zijn partner – zoals door de verdediging is gesteld – zijn betaald met van medeverdachte [medeverdachte 1] geleend geld.
negende middelwordt gesteld dat het hof het bewijs voor het in de zaak met parketnummer 02-984816-10 onder 1 primair bewezen verklaarde witwassen van meerdere waterscooters in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv enkel heeft doen steunen op de verklaring van één enkele getuige. Zowel uit de gebezigde bewijsmiddelen zelf als uit de nadere bewijsoverwegingen van het hof op p. 20 van het arrest blijkt echter, dat het hof voor het bewijs van het witwassen van de waterscooters onder meer nog gebruikgemaakt heeft van twee processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de doorzoeking van het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 1] (bewijsmiddelen 173 en 174) en van een – volgens het hof aan de verdachte gericht – briefje over de waterscooters van medeverdachte [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] . Reeds hierom kan niet worden gezegd dat het hof bij zijn bewezenverklaring van het witwassen van de waterscooters heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv, dat immers betrekking heeft op bewezenverklaringen in hun geheel en niet op afzonderlijke onderdelen daarvan.