Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
Feiten
3.Het geding in cassatie
BNB2013/147 [3] .
4.Verdrag Nederland – België
Het Verdrag, de parlementaire behandeling en de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting
BNB2013/147 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de afwaardering van een schuldvordering voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en België van 19 oktober 1970 kan worden beschouwd als een ‘vervreemding’ in de zin van artikel 13, paragraaf 4 van dat belastingverdrag: [18]
Bellingwoutonduidelijk hoe met de tekst van artikel 13, paragraaf 5 Verdrag zou worden bewerkstelligd dat Nederland afziet van heffing over de waardeaangroei van de aanmerkelijk belang aandelen na emigratie, terwijl het België niet zou zijn toegestaan te heffen: [20]
Hellebrekenseen opsomming gemaakt van mogelijke interpretaties van de voorwaarde dat van de conserverende aanslag nog een bedrag open moet staan: [22]
Hellebrekersmeent dat artikel 13, paragraaf 5 Verdrag Nederland heffingsbevoegdheid geeft ten aanzien van winsten die zijn gevormd in de periode waarin de natuurlijke persoon als inwoner van Nederland een aanmerkelijk belang had: [30]
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieis over de context van artikel 13, paragraaf 5 Verdrag geschreven: [32]
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieis geschreven over vermogenswinsten die worden behaald met de vervreemding van schuldvorderingen in de zin van artikel 13, paragraaf 5 Verdrag: [33]
5.Behandeling van het middel
of(iv) rechten én daarvan moet nog een bedrag openstaan. Omdat aan belanghebbende voorafgaand aan zijn emigratie een conserverende aanslag ter zake van zijn aanmerkelijk belang aandelen is opgelegd én daarvan nog een bedrag open staat, dient artikel 13, paragraaf 5 Verdrag volgens hem op zijn situatie te worden toegepast. [42]