Conclusie
“mishandeling”, en 3.
“bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde, toegewezen tot het bedrag van € 200,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vier dagen hechtenis, en heeft het hof aan de toegewezen vordering de schadevergoedingsmaatregel van art. 36f Sr verbonden.
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het ter terechtzitting gedane verzoek tot oproeping van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft afgewezen.
niet klopt”.
tweede middelkomt met diverse klachten op tegen de bewijsvoering en met name het gebruik van de verklaringen van de genoemde getuigen.
“Feiten 1, 2 & 3 –
Feiten 1 & 3 -
Feit 2 -
“Ik heb pijn op de borst”, direct volgt op de beschrijving van de drie door de verdachte gegeven klappen tegen de borst van [betrokkene 3] . [6] Ik acht die gevolgtrekking geenszins onbegrijpelijk. Dat er twee dagen zijn gelegen tussen de geweldpleging (29 juni 2014) en de mededeling van [betrokkene 3] omtrent de pijn op de borst (1 juli 2014) doet daaraan allerminst af.
“Hij werd gelijk agressief en duwde mij weg.”).
"overall fairness of the trial". [12] Kortom, beslissend is of het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen. Daarvan kan de balans uiteindelijk eerst achteraf worden opgemaakt. [13] Bij deze toetsing dient het door het EHRM uiteengezette beslismodel in aanmerking te worden genomen.
solely or to a decisive degreeop de aangifte van [betrokkene 3] . Vooropgesteld, de door de verdediging betrokken stelling dat een duw geen mishandeling kan opleveren, is in haar algemeenheid onjuist. Of een duw kwalificeert als mishandeling hangt immers af van de kracht (en de intentie) waarmee die duw is gegeven en van het resultaat van die duw, zoals (maar niet beperkt tot) de als zodanig ondervonden kwetsbaarheid van het lichaamsdeel waartegen de met die duw gepaard gaande kracht is uitgeoefend. [14] Welnu, niet alleen [betrokkene 3] (bewijsmiddel 1), maar ook de getuigen [betrokkene 5] (bewijsmiddel 2) en [betrokkene 6] (bewijsmiddel 3) verklaren op dit punt dat de verdachte [betrokkene 3] : “
herhaaldelijk met een krachtige beweging van zich wegduwde”, respectievelijk “
een paar keer behoorlijk stevig duwde”. Gevoegd bij de aanmerkelijke kans op pijn na een krachtige beweging c.q. een behoorlijk stevige duw, acht ik voldoende steunbewijs aanwezig voor de betwiste onderdelen van de aangifte van [betrokkene 3] ter zake van mishandeling (feit 1). Voor zijn aangifte van een doodsbedreiging (feit 3) gelden soortgelijke overwegingen. [betrokkene 5] maakt in dit verband melding van “
veel verbaal geweld”, terwijl [betrokkene 6] verdachte’s uitlatingen omschrijft als “
dat hij [betrokkene 3][ [betrokkene 3] , D.A.]
dood zou maken”.
solely or to a decisive degreeberust op – betwiste onderdelen van – de verklaringen van de niet-ondervraagde getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Dat naar ’s hofs oordeel
“geen sprake is van een situatie waarin het doorslaggevende bewijs berust op de verklaring van één betrokkene”, zou als overweging adequaat kunnen zijn in respons op een ‘unus testis’-verweer, maar zij komt mij in dit verband niet relevant voor. Niettemin, indien thans de balans wordt opgemaakt blijkt dat het hof voor het niet-ondervragen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wel degelijk enige compensatie heeft geboden, namelijk in de vorm van het verhoor van de meegebrachte getuige [betrokkene 4] . Daardoor heeft de verdediging zichzelf immers munitie kunnen verschaffen voor een betwisting van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
deugdelijkgetuigenverzoek te doen, [15] waaronder m.i. begrepen een tijdig getuigenverzoek. In dat geval heeft de verdediging de nationale rechtsmiddelen immers niet uitgeput. Het maakt nogal wat uit of de verdediging een verzoek tot het horen van belastende getuigen schriftelijk en gemotiveerd heeft gedaan voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, dan wel – zoals thans – bij wijze van ‘nabrander’ op de terechtzitting (in hoger beroep) op een moment dat de sluiting van het eindonderzoek nabij is en met een motivering die (zoals gezegd) niets meer om het lijf heeft dan de mededeling dat [betrokkene 4] “
anders heeft verklaard” dan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , en dat de beschuldiging van [betrokkene 3] (volgens de verdachte) “
niet klopt”.