Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
NJ2010/273 (ABN Amro/ [...] e.a.) heeft de Hoge Raad overwogen dat sprake is van wetenschap van benadeling in de zin van art. 42 Fw Pro, indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte. Indien zich de in art. 43 lid Pro 1, aanhef en onder 2o, Fw bedoelde omstandigheden voordoen, brengt dat uitgangspunt mee dat, behoudens tegenbewijs, wordt vermoed dat de schuldenaar en degene met of jegens wie hij de rechtshandeling verrichtte, met een redelijke mate van waarschijnlijkheid het faillissement en een tekort daarin hebben kunnen voorzien. [2] De Hoge Raad heeft deze maatstaf een aantal keren bevestigd in latere arresten. [3]
NJ2017/177 is overwogen dat de voornoemde maatstaf ook geldt, indien de (nadien door de curator vernietigde) rechtshandeling wordt verricht in het kader van een poging om door een reorganisatie het faillissement af te wenden. [5] Het hof was uitgegaan van een maatstaf die, kort gezegd, gunstiger was voor de partijen bij de vernietigde rechtshandeling. [6]
NJ2017/177, alsmede naar R.J. van der Weijden, ‘Wetenschap van benadeling in de zin van art. 42 Fw Pro en de voorzienbaarheid van het faillissement van de schuldenaar’,
MvV2017, nr. 10, p. 285-289.
op dat moment(zie rov. 2.12, slot) niet geoorloofd om de vordering van Paro te (laten) voldoen door verkoop van vrachtwagens en containers, waarbij (een deel van) de koopprijs is verrekend met de openstaande schuld. In dit verband heeft het hof meegewogen en relevant geacht, zo blijkt uit rov. 2.13, dat Paro de twee verkregen vrachtwagens niet nodig had voor haar bedrijfsvoering, dat de bedoeling van de koopovereenkomst was de vordering van Paro te voldoen en dat Paro door de koopovereenkomst de twee activa met de hoogste waarde naar zich toe heeft gehaald, waardoor deze werden onttrokken aan het verhaal door de gezamenlijke crediteuren. Van belang vind ik ook dat het hof in rov. 2.10 heeft overwogen dat [A] op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst materieel insolvent was. In zo’n toestand is het faillissement van [A] redelijkerwijs te verwachten, tenzij het perspectief van [A] zou wijzigen door een financiële injectie. Zo’n injectie heeft niet plaatsgevonden en er was ook geen plan daartoe. Het subonderdeel faalt.
meewegenbij het oordeel of op 18 januari 2013 het faillissement van [A] met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien. Echter, dat overweegt het hof niet in rov. 2.8, zodat de klacht in het subonderdeel feitelijke grondslag mist. Het hof overweegt daarentegen dat het met alle omstandigheden van het geval rekening houden. Dat komt mij juist voor. Ik ben van oordeel dat het hof vervolgens in rov. 2.10-2.16 met een uitgebreide reeks omstandigheden heeft rekening gehouden.
op dat momentverhaal te bieden boven de andere schuldeisers. Zij hebben niet willen afwachten of [A] er weer bovenop zou komen, terwijl [A] op dat moment materieel insolvent was. Dit betekent dat ook de klacht in subonderdeel 1.4.2 geen doel treft.
NJ1999/413 volgt dat specificatie van een bewijsaanbod niet nodig is, indien het bewijsaanbod tegenbewijs betreft. [9] Het gaat om vaste rechtspraak. [10]