Conclusie
‘medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren’en ter zake van 3 veroordeeld wegens ‘
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en negen maanden, met aftrek van voorarrest, en met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij.
eerste middelklaagt (onder A) over de bewijsvoering van
medeplichtigheidvan gekwalificeerde doodslag, en (onder B) over de bewijsvoering van het Opiumwetdelict dat is begaan op 28 juni 2013.
7.1.1 Gronddelict bij het onder 1 subsidiair ten laste gelegde
Voorop moet worden gesteld dat uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat enerzijds ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond. Het gaat bij de 'handelingen' van de dader in het bijzonder om het desbetreffende gronddelict, met inbegrip van de bestanddelen daarvan. Daarbij sluit aan dat dat opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Ingeval het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel daaromtrent laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Nochtans zal doorgaans kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband.” [4]
voldoende verband” bestaat tussen enerzijds het door de dader(s) begane gronddelict en anderzijds de toedracht die de verdachte omtrent dat gronddelict voor ogen stond, zulks met inbegrip van de toedracht waarvan de verdachte de aanmerkelijke kans op het plaatsvinden ervan welbewust heeft aanvaard. In de regel mag het bedoelde ‘voldoende verband’ onder meer worden aangenomen indien het misdrijf waarop verdachte’s opzet was gericht
onderdeelis van het gronddelict, zoals ingeval dat misdrijf door de dader(s) is begaan onder strafverzwarende omstandigheden die niet door de verdachte waren voorzien.
“naar het oordeel van het hof de aanmerkelijke kans[heeft]
aanvaard dat hij behulpzaam zou zijn bij een diefstal waarbij (mogelijk fors) geweld zou worden toegepast, met alle risico’s van dien, nu de verdachte geacht mag worden te weten dat het rippen van een partij cocaïne niet zachtzinnig gaat en dat daarbij weerstand kan worden verwacht, die, wil er een succesvolle diefstal plaatsvinden, gebroken moet worden.” ‘De aanmerkelijke kans dat bij een ripdeal (fors) geweld wordt toegepast’, kan echter niet gelden als feit van algemene bekendheid, aldus betoogt de steller van het middel.
‘aanmerkelijke kans dat bij een ripdeal (fors) geweld wordt toegepast’, ofschoon dat niet met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht, binnen de door het hof opgetuigde bewijsconstructie de rol vervult van ‘feit van algemene bekendheid’, c.q. een bewijsrechtelijk daarmee op één lijn te stellen ‘algemene ervaringsregel’. Tevens wil ik van de steller van het middel aannemen dat niet alle ripdeals (per definitie) gepaard gaan met (fors) geweld. Dat is dan ook niet hetgeen het hof als feit van algemene bekendheid heeft aangenomen. Het hof nam (slechts) tot uitgangspunt dat er bij ripdeals een
aanmerkelijke kansis op de toepassing van (fors) geweld, en het hof heeft ook toegelicht waarop dit uitgangspunt is gestoeld. Of dit oordeel niet-onbegrijpelijk mag heten, is dus mede afhankelijk van de betekenis en reikwijdte van het begrip ‘aanmerkelijke kans’.
de aanmerkelijke kans[heeft]
aanvaard dat hij behulpzaam zou zijn bij een diefstal waarbij (mogelijk fors) geweld zou worden toegepast”, en dit bij gebrek aan door het hof vastgestelde contra-indicaties voor die aanvaarding. Kortom, naar mijn inzicht kon het hof uit de bewijsmiddelen afleiden dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte was gericht op zijn eigen faciliterende rol bij een diefstal met geweld. De dodelijke afloop daarvan komt als onbedoeld nevengevolg sowieso mede voor zijn rekening.
hij op 28 juni 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne en op 10 september 2013 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid heroïne en cocaïne.”
Het hof acht het opzettelijke bezit van cocaïne en heroïne, te weten de op 10 september 2013 in de woning van de verdachte aangetroffen drugs, bewezen. Tevens acht het hof bewezen het opzettelijke bezit van een hoeveelheid cocaïne, te weten de op 28 juni 2013 buitgemaakte drugs. Het hof doet deze laatste bewezenverklaring steunen op de verklaring van de getuige [getuige 3] en het aantreffen van de Albert Heijn-tas met daarin cocaïne alsmede op de verklaring van [getuige 1] dat de verdachte haar had verteld dat de jongens dope hadden laten vallen en hij drugs had gekregen voor zijn bijdrage.”
Ten aanzien van feit 3” geen bewijsmiddelen zijn opgenomen die steun geven aan de bewezenverklaring van het ten laste gelegde Opiumwetdelict dat is begaan op 28 juni 2013.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair”, met welk feit (i.e. de reeds besproken medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag) het Opiumwetdelict nauw verband houdt. [8]