Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.2onbegrijpelijk, omdat (i) het hof niet motiveert waarom [verweerder] als reactie op de “trappelprovocatie” van [eiseres] ervoor kon kiezen om haar benen te fixeren en aldus het risico van de daarna plaatsgevonden hebbende escalatie te nemen, in plaats van elk escalatierisico uit te sluiten door het bed te verlaten en (ii) het hof ook niet motiveert waarom invulling van de door de Hoge Raad in zijn arrest van 31 maart 1995 [16] geformuleerde open norm moest leiden tot het oordeel dat de “trappelprovocatie” door [eiseres] de reactie van [verweerder] rechtvaardigde in plaats van het oordeel dat [verweerder] het bed had moeten verlaten om elk escalatierisico uit te sluiten.
subonderdeel 1.3ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat op [eiseres] de stelplicht rustte en dat zij de bewijslast had van de door haar aangevoerde feitelijke toedracht in plaats van te oordelen dat, waar de lezingen van partijen met betrekking tot de schermutseling sterk uiteenliepen, uitgegaan diende te worden van de juistheid van de lezing van [verweerder] en voorts dat, als [verweerder] bij de eerste provocatie door [eiseres] het bed had verlaten, het door [verweerder] volgens zijn eigen verklaring aan [eiseres] toegebrachte letsel, door met zijn rechterhand langs zijn rechteroor naar achteren van zich af te slaan, niet zou zijn toegebracht en dat er dus geen aanleiding was om [eiseres] een bewijsopdracht te geven betreffende de juistheid van haar lezing van het gebeurde.
subonderdeel 1.4voorts blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn de in die rechtsoverwegingen en in het dictum vervatte oordelen onbegrijpelijk, omdat, indien het hof zou zijn uitgegaan van de juistheid van de lezing van [verweerder] en zou hebben geoordeeld dat [verweerder] na de eerste provocatie door [eiseres] het bed had moeten verlaten om het escalatierisico uit te sluiten, er - als gezegd - geen reden zou zijn geweest om aan [eiseres] een bewijsopdracht te verstrekken.
“(…) toen [eiseres] hem met haar benen in zijn rug trappelde, die provocatie heeft aangegrepen om een schermutseling met haar te beginnen in plaats van het bed te verlaten en daarmee het risico van escalatie weg te nemen.” Volgens [eiseres] had [verweerder] ervoor moeten kiezen om bij het trappelen direct het bed te verlaten, in welk geval bovendien de als gevolg van de klap van [verweerder] geleden schade niet zou zijn toegebracht. [17] Niet wordt aangegeven waar deze feitelijke stelling in de processtukken kan worden aangetroffen. [18] [19] Kennisneming van de processtukken leert ook dat [eiseres] deze stelling niet aan het gestelde onrechtmatig handelen van [verweerder] ten grondslag heeft gelegd.
subonderdelen 1.1, 1.3 en 1.4maken bovendien niet duidelijk
welke rechtsregelshet hof heeft geschonden en
waaromdeze zijn geschonden. [20]
ten verwere tegen de stellingen van [eiseres], gestelde toedracht, [verweerder] niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het hof heeft, gelet op dit verweer, [eiseres] tot bewijslevering toegelaten. In zijn eindarrest heeft het hof geoordeeld dat [eiseres] de door haar gestelde toedracht niet heeft bewezen en de vorderingen op die grond afgewezen. De overweging zoals neergelegd in rov. 4.7 van het tussenarrest draagt derhalve niet bij aan het eindoordeel.
De (overige) subonderdelengericht tegen deze (niet dragende) overweging falen dan ook bij gebrek aan belang.
subonderdeel 2.3onbegrijpelijk omdat het hof niet heeft gemotiveerd waarom [verweerder] niet tenminste proportioneel aansprakelijk is voor het door [eiseres] tijdens de schermutseling opgelopen letsel vanwege het feit dat hij heeft toegegeven [22] (i) dat hij de schermutseling na de trappelprovocatie van [eiseres] is aangegaan in plaats van het bed te verlaten en (ii) dat hij tijdens die schermutseling met zijn rechterhand langs zijn rechteroor naar achteren van zich af heeft geslagen.
bewijswaarderingverricht met betrekking tot de gestelde feitelijke toedracht en geen oordeel geeft met betrekking tot de aansprakelijkheid, missen de onderdelen feitelijke grondslag.
nietheeft geleverd en dat de vordering
daaromniet toewijsbaar is (rov. 2.18).
slotsomis dat het cassatieberoep moet worden verworpen. Toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro wordt in overweging gegeven.