Conclusie
eerste middelklaagt in de kern dat de rechtbank heeft nagelaten op de zitting van 1 augustus 2018 de identiteit van de opgeëiste persoon te onderzoeken, althans heeft nagelaten op een begrijpelijke wijze blijk te geven van een dergelijk onderzoek, en daardoor het bepaalde in artikel 26, eerste lid, Uitleveringswet, heeft geschonden.
tweede middelklaagt over schending van artikel 2 Grondwet Pro en artikel 2 Uitleveringswet Pro doordat de rechtbank de verdragsgrondslag voor de uitlevering van de opgeëiste persoon heeft gewijzigd terwijl het verdrag dat de verzoekende staat aan het uitleveringsverzoek ten grondslag heeft gelegd geen grondslag voor uitlevering biedt. De rechtbank heeft de uitlevering daarom ten onrechte toelaatbaar verklaard. Aangevoerd wordt dat in de wetsgeschiedenis noch in de jurisprudentie aanknopingspunten zijn te vinden voor de stelling dat de aangezochte staat de door de verzoekende staat in het uitleveringsverzoek genoemde verdragsgrondslag eenzijdig mag wijzigen, waardoor de verdragsrechtelijke grondslag die is gekozen door de verzoekende staat komt te vervallen en plaatsmaakt voor een ander door de aangezochte staat naar eigen inzicht gekozen verdrag.
2.4. Deze opvatting vindt geen steun in het recht.” [14]