Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof zich er in onvoldoende mate van heeft vergewist of hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld over de omstandigheden waaronder hij bij de politie bekennende verklaringen heeft afgelegd, waar zou kunnen zijn en dat het deze verklaringen in verband daarmee ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd.
slechtsin het geval dat de herroeping van de bekentenis van de verdachte door de verdachte op aannemelijke gronden zijn berust, wordt de bekentenis krachteloos en vervalt dus de betekenis daarvan. De bewijsbeslissing motiveert de rechter door de bewijsmiddelen daarvoor in het vonnis te noemen en de inhoud daarvan, voor zover van belang, weer te geven (art. 402, eerste lid, Sv Curaçao). Wanneer hieromtrent extra uitleg nodig is, moet die uitleg op grond van artikel 402, derde lid, Sv Curaçao ook worden gegeven in het vonnis. [7]
‘bruut en onmenselijk’is verhoord, dat de verbalisanten hem tijdens zijn verhoren woorden in de mond hebben gelegd en dat hij tijdens deze verhoren door de politie in eerste instantie geen en later een niet door hem gewenste advocaat kreeg toegewezen. Het Hof overweegt hieromtrent dat de door de verdachte afgelegde bekennende verklaringen bij de politie
‘consistent en zeer gedetailleerd’zijn en dat die verklaringen steun vinden in ander bewijsmateriaal. Aan de herroeping door de verdachte van die verklaring hecht het Hof dan ook ‘
geen geloof’. Voorts overweegt het Hof dat voor de door de verdachte geschetste omstandigheden waaronder hij die verklaringen zou hebben afgelegd, in het dossier geen aanwijzingen zijn te vinden. De verdachte heeft al zijn bekennende verklaringen immers ondertekend. In ’s Hofs oordeel ligt dan ook besloten dat hij de intrekking van de bekennende verklaringen van de verdachte niet aannemelijk acht en die verklaringen, tezamen met steunbewijs, tot het bewijs zal bezigen. Dat oordeel geeft, mede gezien hetgeen ik onder randnummer 8 heb vooropgesteld, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De in het middel ingenomen stelling dat het Hof de verklaringen bij deze stand van zaken had moeten uitsluiten van het bewijs, dan wel (nader) had moeten onderzoeken (dan het gedaan heeft) hoe de gang van zaken rond de verhoren was geweest, kan niet slagen. Art. 384, vijfde lid, Sv Curaçao bepaalt dat de rechter dient na te gaan of hij de gronden waarop de verdachte zijn bekennende verklaring intrekt, wel of niet aannemelijk acht. Dat heeft het Hof gezien de motivering van zijn beslissing hieromtrent ook gedaan en die motivering acht ik niet onbegrijpelijk. De steller van het middel betoogt voorts dat uit art. 384, vijfde lid, Sv Curaçao blijkt dat de wetgever onderscheid heeft willen maken tussen een herroeping van een ter terechtzitting gedane bekennende verklaring en een herroeping van een ten overstaan van een verbalisant gedane bekennende verklaring, waarbij die laatste bij herroeping (automatisch) krachteloos is en van het bewijs dient te worden uitgesloten. Waarop de steller van het middel deze stelling baseert, onderbouwt hij niet. Ik deel dit standpunt niet. [8] In art. 384, tweede lid, Sv Curaçao, wordt slechts bepaald dat een door de verdachte afgelegde
‘elders dan ter terechtzitting’gedane verklaring, zoals een ten overstaan van een verbalisant afgelegde verklaring, alleen tot het bewijs kan worden gebezigd indien er steunbewijs voorhanden is. Dat is, zoals ik zojuist besprak, in de onderhavige zaak ook het geval. Samenvattend is (1) ’s Hofs afwijzende beslissing op het door de verdachte gevoerde verweer niet onbegrijpelijk en kon het Hof (2) die verklaringen ex art. 384, tweede en vierde lid, Sv Curaçao tot het bewijs bezigen, aangezien aan het hieromtrent geldende vereiste dat bij gebruik van dergelijke verklaringen voor de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten ook ander (steun)bewijs voorhanden moet zijn, is voldaan. Van een schending van het recht van de verdachte op een eerlijk proces is dan ook geen sprake.
tweede middelklaagt dat het hof heeft verzuimd in het vonnis op te nemen dat de beslissing tot het opleggen van een hogere straf dan in eerste aanleg is opgelegd, met eenparigheid van stemmen is genomen.
‘indien de verdachte alleen in hoger beroep is gekomen, hij ter zake van hetgeen in eerste aanleg te zijnen laste bewezen is verklaard, slechts met eenparigheid van stemmen tot een zwaardere straf [kan] worden veroordeeld dan hem bij het vonnis is opgelegd’. De steller van het middel zij toegegeven dat het vonnis niet vermeldt dat het Hof met eenparigheid van stemmen een hogere straf zal opleggen dan het Gerecht. [9] Tot cassatie kan dit echter niet leiden. Immers, er is geen wetsbepaling die voorschrijft dat in een in hoger beroep gewezen uitspraak uitdrukkelijk moet worden vermeld dat aan het in art. 395, derde lid, Sv Curaçao genoemde voorschrift is voldaan. [10]
derde middelklaagt over de bewijsvoering ten aanzien van de feiten 2 en 4.
“Feit 2 primair
“Feit 4 primair
“Feit 2 primair (medeplegen invoer vuurwapens en munitie)
Feiten 3 en 4 primair (medeplegen invoer cocaïne, vuurwapens en munitie)
feit van algemene bekendheid” is en dat het Hof er vanuit is gegaan dat met dit feit van algemene bekendheid ook het opzet bewezen kan worden geacht in de zin van “
het binnen het grondgebied van Curaçaoopzettelijk
afleveren”. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de steller van het middel
“zich nog wel kan vinden in een bewering inhoudende dat de afleverende veelal Zuid-Amerikaanse drugskoeriers op hun boten vaak gewapend zijn”,maar dat in veel gevallen verdovende middelen feitelijk zonder wapens zullen worden overgedragen. Ik begrijp deze klacht aldus dat het Hof ten onrechte “iets” als een feit van algemene bekendheid heeft aangemerkt om een gat in de bewijsvoering ten aanzien van de onder 2 primair en 4 primair bewezenverklaarde invoer van vuurwapens en munitie te kunnen dichten. Voorts zou het hof de hieromtrent onderbouwde standpunten en verweren niet op goede gronden, althans niet op begrijpelijke wijze hebben verworpen. Welke standpunten en verweren dit zijn, blijkt dan weer niet uit de toelichting.
‘[verdachte] alles [regelt]”(bewijsmiddel 19). ’s Hofs oordeel dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de aanmerkelijke kans op het medeplegen van de invoer van vuurwapens, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel klaagt dat het Hof onvoldoende heeft gereageerd op de hieromtrent namens de verdediging gevoerde standpunten en verweren kan het niet slagen. Uit de toelichting blijkt niet op welke verweren of standpunten het middel doelt en voorts heeft het Hof, gezien zijn bewijsmotivering, gemotiveerd gereageerd op het namens de verdediging gevoerde verweer inzake de relatie tussen de verdachte en de aangetroffen vuurwapens. [15]