Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte verstek tegen de verdachte heeft verleend.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor diefstal en verklaard niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens verstek. De dagvaarding in hoger beroep werd aan verdachte betekend zonder schriftelijke vertaling in het Roemeens, terwijl uit verklaringen met tolk bleek dat verdachte de Nederlandse taal niet voldoende beheerst.
Op grond van art. 260, vijfde lid, Sv, dat sinds 1 oktober 2013 van kracht is, moet een verdachte die de taal niet beheerst een vertaling van de dagvaarding ontvangen om zijn recht op verdediging te waarborgen. Deze bepaling implementeert de Europese richtlijn 2010/64/EU.
Het hof heeft nagelaten te onderzoeken of het onderzoek ter terechtzitting geschorst moest worden om dit verzuim te herstellen. Daardoor is het onderzoek in hoger beroep nietig en moet de zaak worden terugverwezen voor nieuwe berechting.
De Hoge Raad benadrukt dat de vertaling in de moedertaal of een andere taal die verdachte beheerst moet zijn, ongeacht of verdachte een adres in Nederland heeft. Het niet naleven van deze procedurele waarborg leidt tot schending van het recht op een eerlijk proces.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een vereiste vertaling van de appeldagvaarding, en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.