16.11uur [verdachte] op mast Heinmanslaan 16 te Culemborg.
Volgens de routeplanner van Google-Maps bedraagt de rijtijd tussen adres Singel te Odijk en de Heimanslaan te Culemborg ongeveer 48 minuten.
17.07-17.08 uur [verdachte] op mast 45665 Singel 40 te Odijk.
17.07- 17.08 uur [betrokkene 5] heeft gepind bij de Rabo bank te Odijk en wordt overvallen.
17.07- 17.30 uur Overval op [betrokkene 1] , [a-straat] 136 te Zeist.
Volgens de routeplanner van Google-Maps is de rijtijd tussen de woning van [betrokkene 1] en het adres waar als eerst gepind wordt vijf minuten (+/-1500 meter).
12. De
verklaring van [betrokkene 4] , afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken van dit hof op 26 september 2014voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :
We hebben meerdere drugs gebruikt die dag. Te weten: speed, cocaïne,
LSD. We hebben voornamelijk GHB gebruikt. Met we bedoel ik [verdachte] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en ik.
Kunt u zich herinneren of u in de middaguren van 8 augustus 2012 nog bent gebeld door iemand? Ik heb die dag een heleboel telefoontjes gehad. U, vraagt mij of ik nog weet van wie. Ik denk dat het telefoontjes waren van mijn werk.
Ik kan me nu niet meer herinneren of ik op 8 augustus 2012 wel bij het station in Zeist ben geweest. Ik kan mezelf gewoon geen station Zeist herinneren. Ik denk dus dat wij er nooit geweest zijn die dag.
Ik kan me niet herinneren dat ik die dag nog een ander persoon heb ontmoet dan [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en [verdachte] . Ik denk dat ik die dag niet iemand anders heb ontmoet, die al dan niet bij ons in de auto is gestapt.
Ik benadruk nu dat ik nooit bij het station in Zeist ben geweest die dag, want ik kan het me niet herinneren en anders had het me wel enigszins bijgestaan. Ik herinner me geen aanbod om iets te verdienen, ander dan met mijn werk.
U, RHC, houdt mij voor de essentie van de verklaring van [verdachte] afgelegd op de zitting van 1 september 2014, inhoudende dat ik op enig moment gebeld ben met de vraag of ik iets wilde verdienen, er vervolgens een man is opgepikt op het station in Zeist die een gestolen pinpas bij zich had en [verdachte] daarmee heeft gepind en wij de helft van het gepinde geld kregen en een televisie. Ik heb daar niets van meegekregen. Nogmaals, ik heb die dag veel telefoontjes gehad vanwege mijn werk, maar nooit een telefoontje over of ik iets wilde bijverdienen in relatie met een gestoken pinpas. Ik kan mij dat echt niet herinneren. Een telefoongesprek over iets bijverdienen met een gestolen pinpas zou ik me natuurlijk wel herinnerd hebben. Datzelfde geldt voor ene telefoongesprek met de vraag of ik iets wilde bijverdienen anders dan met mijn werk als prostituee.”
6. Voorts houdt het bestreden arrest in, voor zover hier van belang:
“Overweging met betrekking tot het bewijs
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Daartoe heeft hij betoogd dat het alternatieve scenario zoals door de verdachte in hoger beroep naar voren is gebracht ter zijde dient te worden geschoven. Zo dat alternatieve scenario al niet door de inhoud van de bewijsmiddelen wordt tegengesproken, is het niet aannemelijk geworden. De verdachte beschikte korte tijd na de overval op de woning van [betrokkene 1] over de bankpassen van laatstgenoemde en pinde daarmee vervolgens diverse bedragen. Voor het bezit van deze bankpassen heeft de verdachte geen geloofwaardige verklaring gegeven. Daarmee is, gelet op het overige bewijs in het dossier, volgens vaste jurisprudentie wettig en overtuigend bewijsbaar dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld waarbij de bankpassen zijn weggenomen, aldus de advocaat-generaal.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van hetgeen hem ten laste is gelegd dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Aan de hand van een zestal door hem als observaties aangeduide thema’s heeft de raadsman dit standpunt toegelicht. Die observaties zijn uitgewerkt in de door de raadsman ter terechtzitting aan het hof overgelegde pleitnota.
Overval op de woning van [betrokkene 1]
Vaststaat dat de destijds 93-jarige [betrokkene 1] op 8 augustus 2012 in zijn woning gelegen aan de [a-straat] 136 - op de gevel van de woning is het nummer ‘38B’ aangebracht maar het juiste nummer is 136 - te Zeist is overvallen door twee mannen. [betrokkene 1] zat aan de eettafel in zijn woning toen hij door het geopende doorgeefluik een schim zag. Kort daarna kwam er nog een tweede persoon de keuken in. Deze persoon pakte hem vrijwel direct bij zijn nek en riep: ‘Geld, geld moet ik hebben!’. Tevens vroeg deze persoon naar de bankpas van [betrokkene 1] . Onderwijl werd [betrokkene 1] meermalen geschopt en geslagen. Vervolgens werd [betrokkene 1] meegetrokken naar zijn slaapkamer door de persoon die hem bij zijn nek had gepakt. Aldaar werd hij op de grond gegooid. Toen de overvallers bleven roepen om geld en [betrokkene 1] voortdurend klappen kreeg, heeft de aangever op een zeker moment gezegd dat zijn portefeuille in zijn jasje zat. In zijn portefeuille bevonden zich zes bankbiljetten van € 10,-, een tweetal bankpasjes (van de ABN/AMRO en de ING), een pasje van de Albert Heijn, een pasje van de ANWB en een pasje van de ziektekostenverzekeraar. Gebleken is dat de gehele portefeuille van [betrokkene 1] buit is gemaakt, evenals zijn agenda - die zich eveneens in zijn jasje bevond - waarin hij de pincode behorend bij voornoemde bankpassen had genoteerd. De pincode heeft hij niet aan de overvallers medegedeeld. Een televisie en een koperkleurig beeldje zijn eveneens buitgemaakt bij de overval.
Het hof ziet zich - gelet op de tenlastelegging die voorligt - voor de vraag gesteld of de verdachte een van de door [betrokkene 1] bedoelde overvallers is.
Het hof beantwoordt, in het bijzonder op grond van de volgende feiten en omstandigheden, die vraag bevestigend.
Pintransacties en telecomanalyse
De verdachte heeft meermalen met de bankpassen en de agenda van [betrokkene 1] gepind in Odijk op 8 augustus 2012 vanaf 17:31 uur. Het gaat om de volgende transacties:
- een geldbedrag van € 250,- (omstreeks 17.31 uur, met de ABN/AMRO-bankpas op de Zeisterweg 21 te Odijk) (de camerabeelden hiervan maken onderdeel uit van het dossier);
- een geldbedrag van € 250,- (omstreeks 17.32 uur, met de ING-bankpas op de Zeisterweg 21 te Odijk) (de camerabeelden hiervan maken onderdeel uit van het dossier);
- een geldbedrag van € 750,- (omstreeks 17.34 uur, met de ABN/AMRO-bankpas op De Meent 22 te Odijk);
- een geldbedrag van € 148,- (omstreeks 17.40 uur, met de ING-bankpas bij de Jumbo op de Meent 40 C te Odijk ten behoeve van sigaretten en krasloten) (de camerabeelden hiervan maken onderdeel uit van het dossier) en
- een geldbedrag van € 520,- (omstreeks 17.55 uur, met de ING-bankpas op de Raadhuislaan 11 te Maarn).
Van de camerabeelden gemaakt bij de Jumbo supermarkt in Odijk en bij de Rabobank in Odijk - die op 4 september 2012 zijn getoond in een uitzending van het programma Opsporing Verzocht - is de verdachte door de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] herkend als de man die pint. Ook [betrokkene 4] heeft de verdachte op deze camerabeelden herkend.
Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij degene is geweest die op 8 augustus 2012 diverse keren heeft gepind in Odijk en omgeving.
Opvallend is dat op de camerabeelden bij de Rabobank in Odijk, waar de eerste van de hiervoor vermelde pintransacties is uitgevoerd, zichtbaar is dat de verdachte gebruik maakt van een boekje en daarin - naar het zich laat aanzien - iets leest alvorens hij de pincode invoert. Onder meer gelet op het tijdstip van de pintransactie en de verklaring van [betrokkene 1] gaat het hof ervan uit dat dit de agenda is waarvan [betrokkene 1] spreekt.
• De verdachte was om 17:08 uur in Odijk en/of directe omgeving.
Volgens de historische printgegevens van telecommunicatie van het telefoonnummer [003] - in gebruik bij de verdachte - straalde dit nummer op 8 augustus 2012 tussen 17.07.59 en 17.08.29 uur de mast aan de Singel 40 te Odijk aan.
• Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de rijtijd tussen de woning van [betrokkene 1] en de bank waar de eerste pintransactie plaatsvond ongeveer 5 minuten bedraagt (1500 meter).
Het hof stelt vast dat de verdachte op 8 augustus 2012 om 17:31 uur in het bezit was van bij [betrokkene 1] die middag gestolen pinpassen. Gelet op het korte tijdsbestek en de korte nabijheid van de woning en de bank kan hieruit het bewijs van het ten laste gelegde worden afgeleid, tenzij uit andere omstandigheden anders voortvloeit.
De verdachte heeft - kort gezegd - aangevoerd dat (1) de overval op een tijdstip heeft plaatsgevonden waarop hij nog niet in Odijk was en (2) dat hij de bankpassen van iemand anders heeft ontvangen.
Het tijdstip van de overval (1)
Dat de overval heeft plaatsgevonden op een tijdstip waarop de verdachte niet in Odijk was, blijkt volgens de verdediging uit het feit dat de verdachte zich volgens de telefoongegevens om 16:11:12 uur nog in Culemborg bevond en hij in verband met de duur van de reis naar Zeist/Odijk pas is aangekomen na de overval, die volgens de verdediging voor of rond 16:30 uur is gepleegd.
Het hof stelt voorop dat de rijtijd tussen Culemborg en Odijk volgens de routeplannerberekening van Google Maps 48 minuten bedraagt. Dat betekent dat de verdachte rond 17:00 uur kan zijn aangekomen. Zoals eerder opgemerkt was de verdachte in ieder geval om 17:08 uur in Odijk en/of de directe omgeving.
Op 8 augustus 2012 heeft [betrokkene 1] omstreeks 19.46 uur 112 gebeld en contact gehad met de centrale meldkamer te Utrecht om de overval te melden. Op de vraag van de medewerker van de meldkamer wanneer het gebeurd was, heeft [betrokkene 1] geantwoord dat dit anderhalf uur geleden was (het hof begrijpt: omstreeks 18.15 uur). De aangifte van [betrokkene 1] - van een dag later - houdt in dat de overval vermoedelijk omstreeks 16.15 uur en 16.30 uur werd gepleegd. Toen de overvallers vertrokken, keek hij op de klok in zijn slaapkamer en dacht toen te hebben gezien dat het 16.30 uur was. Uit onderzoek is gebleken dat de klok in de slaapkamer van [betrokkene 1] - op 10 augustus 2012 omstreeks 14.30 uur - tien minuten voor liep op de werkelijke tijd.
Het hof constateert dat de aangever twee verschillende tijdstippen heeft opgegeven. [betrokkene 1] was behoorlijk toegetakeld door de overvallers, zoals blijkt uit onder meer uit zijn eigen verklaring, zodat aannemelijk is dat hij aangeslagen en in verwarring was. Het hof stelt wel vast dat de overval in Zeist tussen 16:15 uur en 17:31 uur (eerste pintransactie) moet hebben plaatsgevonden. Het tijdstip is niet preciezer te bepalen, maar de overval kan volgens de door de aangever gegeven informatie in elk geval heel wel hebben plaatsgevonden op een moment waarop de verdachte volgens zijn telefoongegevens op de plaats delict kan zijn geweest (in de directe omgeving van Odijk).
Ontvangen van de bankpassen van een ander (2)
De verdachte ontkent dat hij een van de overvallers op de woning van [betrokkene 1] is geweest. In hoger beroep heeft hij verklaard dat [betrokkene 4] op 8 augustus 2012 aan het eind van de middag werd gebeld door een onbekend gebleven man, waarna hij, [betrokkene 4] en [betrokkene 7] in de auto zijn gestapt en vanuit Culemborg in de richting van het station in Zeist zijn gereden. Aldaar hebben zij de onbekende man ontmoet. Deze onbekende man zou vervolgens bij hen in de auto zijn gestapt met de vraag of zij iets wilden bij verdienen. Gevraagd werd te pinnen met een tweetal bankpassen die deze onbekende man bij zich had. De man beschikte voorts over een boekje waarin de pincode behorend bij de bankpassen was genoteerd. Besloten werd dat de verdachte degene zou zijn die zou gaan pinnen. Naar eigen zeggen had hij die dag zoveel drugs gebruikt dat hij niet meer wist wat hij deed en was hij als enige van de aanwezigen zo stom om gevolg te geven aan het verzoek van de onbekende man. Afgesproken werd dat hij, [betrokkene 4] en [betrokkene 7] de helft van het geld mochten houden. Voorts ontvingen zij een televisie van de onbekende man - die de onbekende man bij zich had toen zij hem bij station Zeist ontmoette - als extra beloning. Deze televisie zou door de onbekende man in de auto zijn gelegd. De bankpassen en het boekje werden door de onbekende man aan hem ter hand gesteld, aldus de verdachte.
Het hof acht een en ander niet aannemelijk omdat het er geen geloof aan hecht. Over de identiteit van de onbekende man heeft de verdachte enkel verklaard dat het een kennis was van [betrokkene 4] . Op de vragen van het hof omtrent de naam, de wijze waarop de onbekende man werd aangesproken en gegevens van de auto waarin laatstgenoemde reed, heeft de verdachte geen antwoorden kunnen geven.
Voor zover het verhaal van de verdachte controleerbaar is, geldt dat [betrokkene 4] door de raadsheer-commissaris is gehoord als getuige en dat haar bij die gelegenheid afgelegde verklaring op een aantal belangrijke punten niet klopt met het door de verdachte geschetste alternatieve scenario. Zo heeft zij geen herinnering aan een telefoongesprek met een man “over iets bij verdienen in relatie met een gestolen pinpas”. “Ik kan me niet alle telefoongesprekken die ik heb gehad op 8 augustus 2012 herinneren. Maar een telefoongesprek over iets bijverdienen met een gestolen pinpas zou ik me natuurlijk wel herinnerd hebben. Datzelfde geldt voor een telefoongesprek met de vraag of ik iets wilde bijverdienen anders dan met mijn werk als prostituee”, aldus [betrokkene 4] .
Ook overigens acht het hof dit scenario ongeloofwaardig. Dit is pas voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht.
Het hof is dan ook van oordeel dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden. Het hof schuift dit dan ook terzijde.
Ontbreken forensisch bewijs (3)
Door de raadsman is betoogd dat het niet vaststellen van overeenkomsten - bij vermoedelijke dadersporen in de nek en op de kleding van [betrokkene 1] - met het DNA-profiel van de verdachte, aanzienlijk beter past bij de hypothese dat de verdachte part noch deel heeft gehad aan de overval op [betrokkene 1] dan bij de hypothese dat hij schuldig is aan de overval.
De advocaat-generaal heeft hierover opgemerkt dat de wijze waarop de raadsman de voor de verdachte gunstige hypothese van onschuld op-plust aantoonbaar onjuist is. Immers, indien [betrokkene 1] in de ochtend is verzorgd en gewassen en er daarna nog ten minste tien mensen plus het personeel van het ziekenhuis met hem bezig zijn geweest en hooguit één of twee daders, heeft de hypothese dat er sprake is van dadersporen (in de woorden van de raadsman) beduidend minder gunstige papieren dan de hypothese dat er geen dadersporen zijn, aldus de advocaat-generaal.
Het hof is van oordeel dat uit het gegeven dat er geen overeenkomsten zijn gevonden tussen de onderzochte sporen die zijn veiliggesteld op het lichaam en de kleding van [betrokkene 1] enerzijds en het DNA-profiel van de verdachte anderzijds, op zichzelf nog niet kan worden afgeleid dat de verdachte niet een van de overvallers is geweest. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman hieromtrent.
Conclusie
Nu het door de verdediging geschetste scenario niet aannemelijk is geworden, de verdachte korte tijd na de overval in Zeist met de buitgemaakte pinpassen heeft gepind in Odijk bij een op ongeveer 1.500 meter van de plaats delict gelegen bank en hij - gelet op de historische printgegevens — zich korte tijd voordien heeft opgehouden in Odijk en/of directe omgeving, is het hof van oordeel dat verdachte de overval samen met een ander heeft gepleegd.”
7. De eerste klacht keert zich tegen de overweging van het hof dat de tenlastegelegde overval tussen 16:15 uur en 17:31 uur moet hebben plaatsgevonden en dat het tijdstip niet preciezer is te bepalen, maar dat volgens de door de aangever gegeven informatie de overval heel wel kan hebben plaatsgevonden op een moment waarop de verdachte volgens zijn telefoongegevens op de plaats delict kan zijn geweest. Deze overweging is, aldus de toelichting op het middel, in strijd met de inhoud van de bewijsmiddelen 1, 2 en 11A, terwijl bovendien volgens de door de aangever gegeven informatie de overval juist niet heeft plaatsgevonden op een moment waarop de verdachte volgens zijn telefoongegevens op de plaats delict kan zijn geweest. De bewijsoverweging van het hof zou daarom onbegrijpelijk zijn en de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed.
8. Uit ’s hofs bewijsvoering blijkt het volgende. De aangever zegt te hebben gezien dat het op de klok in zijn slaapkamer omstreeks 16:30 uur was toen de overvallers waren vertrokken (b.m. 1). De klok van de aangever liep ongeveer 10 minuten voor op de juiste tijd (b.m. 2). Om 19:46 uur heeft de aangever 112 gebeld en contact gehad met de centrale meldkamer te Utrecht. De aangever zegt in dit telefoongesprek dat de overval al anderhalf uur geleden heeft plaatsgevonden (b.m. 11A). Door de verdachte is om 17:31 uur voor het eerst met één van de weggenomen pinpassen gepind (b.m. 3).
9. Blijkens zijn bewijsoverwegingen heeft het hof onder ogen gezien dat de aangever twee verschillende tijdstippen heeft opgegeven, waarop de overval zou hebben plaatsgevonden. Omdat de aangever volgens zijn verklaring behoorlijk was toegetakeld door de overvallers, acht het hof het aannemelijk dat de aangever daardoor aangeslagen en in verwarring was. Naar het hof aan de hand van de inhoud van de bewijsmiddelen heeft vastgesteld moet de overval in Zeist tussen 16:15 uur en 17:31 uur hebben plaatsgevonden en is het tijdstip niet preciezer te bepalen. Het begintijdstip van 16:15 uur is ontleend aan de verklaring van de aangever en het gegeven dat de slaapkamerklok van de aangever ongeveer 10 minuten voorliep op de werkelijke tijd. Het eindtijdstip van 17:31 uur valt samen met het moment waarop door de verdachte voor het eerst met de weggenomen pinpas is gepind. Daaruit kan tevens worden afgeleid dat hetgeen de aangever om 19:46 uur aan de centrale meldkamer te Utrecht meldde, namelijk dat toen de overval al anderhalf uur geleden had plaatsgevonden, niet letterlijk moet worden genomen en in die zin niet overeenkomt met de werkelijke tijd. In het licht van dit één en ander acht ik het oordeel van het hof dat de overval ergens tussen 16:15 uur en 17:31 uur moet hebben plaatsgevonden niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dit betekent tevens dat ook de andere deelklacht doel mist, inhoudende dat, anders dan het hof zou hebben geoordeeld, volgens de opgave van de aangever de overval juist niet heeft plaatsgevonden op een moment waarop de verdachte volgens zijn telefoongegevens op de plaats delict kan zijn geweest, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de telefoon van verdachte eerst om 17:07/17:08 uur een zendmast in Odijk heeft aangestraald. Dat tijdstip valt binnen het bereik van het door het hof vastgestelde tijdsbestek. De eerste klacht is tevergeefs voorgesteld.
10. De tweede klacht bouwt voort op de vorige (tweede) deelklacht en luidt dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof enerzijds heeft overwogen dat het tijdvak waarin de overval heeft plaatsgevonden niet preciezer te bepalen is dan tussen 16:15 uur en 17:31 uur en anderzijds heeft vastgesteld dat verzoeker pas tegen 17:00 uur in de omgeving van de plaats delict kan zijn aangekomen.
11. Ook deze klacht mist doel, nu het hof enkel en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de overval ergens tussen 16:15 en 17:31 uur moet hebben plaatsgevonden. Het hof heeft daarvoor als niet onbegrijpelijk vertrekpunt genomen de verklaring van de aangever (m.b. 1) en de tijdcorrectie van tien minuten (b.m. 2). Het oordeel van het hof sluit niet uit de mogelijkheid dat de overval kort na 17:00 uur – het moment waarop de verdachte kan zijn aangekomen in de omgeving van de plaats delict – zich heeft verwerkelijkt.
12. De derde klacht heeft betrekking op een ander aspect van voormelde bewijsoverweging van het hof en bestrijdt het oordeel dat uit het aanstralen van een zendmast in Odijk kan worden afgeleid dat de verdachte tijdens de overval in Zeist kan zijn geweest. Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, aldus de toelichting op het middel.
13. Uit bewijsmiddel 10 blijkt dat de telefoon van de verdachte tussen 17:07:59 en 17:08:29 uur de mast aan de Singel 40 te Odijk heeft aangestraald. Het is een feit van algemene bekendheid, lijkt mij, dat de afstand van daaruit naar de plaats delict ( [a-straat] 136 te Zeist) kort is.Het oordeel van het hof dat de overval volgens de door de aangever gegeven informatie in elk geval heel wel kan hebben plaatsgevonden “op een moment waarop de verdachte volgens zijn telefoongegevens op de plaats delict kan zijn geweest (in de directe omgeving van Odijk)”, acht ik in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Daarmee faalt de derde klacht.
14. De vierde klacht houdt in dat het hof bewijsmiddel 11C ten onrechte als bewijsmiddel heeft gebruikt, nu dit bewijsmiddel niet méér inhoudt dan een speculatie van verbalisant [verbalisant 14] over het tijdvak (17:07 – 17:30 uur) waarin de overval heeft plaatsgevonden. In samenhang daarmee betoogt de vijfde klacht dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat voor de door de verbalisant [verbalisant 14] geformuleerde suggestie dat de overval tussen 17:07 uur en 17:30 uur heeft plaatsgevonden geen enkele steun in het dossier te vinden is. Deze twee klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
15. Met uitdrukkelijk onderbouwd standpunt doelt de vijfde klacht op hetgeen de raadsman aan de hand van zijn ter terechtzitting van 23 november 2017 overgelegde pleitnotities naar voren heeft gebracht, te weten:
“23. De tijdlijn van [verbalisant 14] verschilt op een cruciaal onderdeel van die van de verdediging. Volgens [verbalisant 14] heeft de overval in de woning van [betrokkene 1] plaatsgevonden tussen 17.07 uur en 17.30 uur. Hij verwijst daarbij naar de pagina's 2093-2098 van het dossier. Dat is merkwaardig. Op die pagina's is de verklaring te vinden, [betrokkene 1] een dag na de overval heeft afgelegd. In die verklaring is te lezen dat de overval volgens [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden tussen 16.15 uur en 16.30 uur. Hij heeft toen ook zijn redenen van wetenschap opgegeven: hij zag op de klok in de slaapkamer dat het rond 16.30 uur was toen de daders de woning verlieten. Een dag later, op 10 augustus 2012, heeft [betrokkene 1] desgevraagd nogmaals verzekerd dat hij op de klok keek toen de daders zijn slaapkamer verlieten en dat het toen ongeveer 16.30 uur was. Die klok liep overigens tien minuten voor, zodat het dan in werkelijkheid rond 16.20 moet zijn geweest.
24. Op basis van deze verklaringen van [betrokkene 1] is de tijdlijn dus anders dan de verbalisant [verbalisant 14] heeft gepresenteerd. Iets scherper geformuleerd: de door de verbalisant genoemde dossierpagina’s geven geen enkele steun aan de door hem geformuleerde suggestie dat de overval tussen 17.07 en 17.30 uur plaatsvond. Die verklaringen van [betrokkene 1] maken bovendien meteen duidelijk dat [verdachte] onmogelijk een van de dader van de overval kan zijn geweest. Ten tijde van de overval was hij immers nog in Culemborg. Dat staat op basis van de telefoongegevens buiten kijf.”
16. Het is vaste rechtspraak dat de feitenrechter – binnen de door de wet getrokken grenzen – vrij is om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Over de keuzes die de feitenrechter daarin maakt hoeft hij in de regel geen verantwoording af te leggen.Op dat uitgangspunt is in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv een uitzondering gemaakt, in die zin dat ingeval met betrekking tot de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen en ter terechtzitting naar voren is gebracht, de rechter indien hij in zijn vonnis afwijkt van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt door dat bewijsmiddel toch tot het bewijs te bezigen, gehouden is in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid.
17. Mogelijk heeft het hof het aangevoerde niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging in de zin van art. 359, tweede lid tweede zin, Sv. Alsdan acht ik dat impliciete oordeel niet onbegrijpelijk en was het hof niet gehouden daarop te responderen, nu het hier slechts gaat om opmerkingen van de raadsman die onderdeel uitmaken van een breder betoog ten einde een ontlastend alibi voor de verdachte aannemelijk te maken. Ook als het weergegeven betoog van de verdediging wel als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dient te worden aangemerkt, snijdt de klacht geen hout. In dat geval ligt de motivering van de verwerping van het standpunt genoegzaam besloten in de bewijsvoering van het hof.Ik verwijs voorts naar hetgeen ik hierboven bij de bespreking van de vorige klachten heb opgemerkt.
18. Het stond het hof dan ook vrij om het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het samenstellen van een tijdlijn door verbalisant [verbalisant 14] voor het bewijs te gebruiken. Van een speculatie van de kant van verbalisant [verbalisant 14] is geen sprake; het gaat om bevindingen die (kennelijk) gebaseerd zijn op hetgeen als bewijsmiddelen 3 en 10 is opgenomen en gegevens die ontleend zijn aan de routeplanner van Google Maps, ten einde aan de hand daarvan een tijdlijn te reconstrueren.
19. Ook deze klachten zijn tevergeefs voorgesteld.
20. De zesde klacht stelt dat het hof niet of onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte zelfs niet een van de daders kan zijn geweest, indien ervan wordt uitgegaan dat de overval tussen 17:07 en 17:30 uur heeft plaatsgevonden.
21. De klacht doelt daarbij kennelijk op hetgeen de raadsman overeenkomstig zijn ter terechtzitting van 23 november 2017 overgelegde pleitnotitie heeft aangevoerd. Deze pleitnotitie – waarvan een ander gedeelte al is aangehaald in verband met de beoordeling van de vierde en de vijfde klacht – houdt, voor zover hier van belang, in:
“De derde observatie
21. De eerste en de tweede observatie vinden steun in en worden versterkt door mijn derde observatie. Die heeft betrekking op de tijdlijn. Die tijdlijn geeft [verdachte] een alibi.
22. Mr. Koers en ik hebben reeds in ons pleidooi van 1 september 2014 een tijdlijn gepresenteerd. Na de uitspraak van de Hoge Raad is door verbalisant [verbalisant 14] eveneens een tijdlijn opgesteld. Als het gaat om de vraag naar de betrokkenheid van [verdachte] bij de overval op [betrokkene 1] , is uitsluitend het tijdvak tussen 16:13:38 uur en 17:31:58 uur relevant. Op het eerstgenoemde tijdstip straalt de telefoon van [betrokkene 7] , die dan wordt opgehaald door [verdachte] en [betrokkene 4], een zendmast in Culemborg aan. Op het laatstgenoemde tijdstip wordt de bankpas van [betrokkene 1] door [verdachte] gebruikt bij de Rabobank in Odijk.
23. De tijdlijn van [verbalisant 14] verschilt op een cruciaal onderdeel van die van de verdediging. Volgens [verbalisant 14] heeft de overval in de woning van [betrokkene 1] plaatsgevonden tussen 17.07 uur en 17.30 uur. Hij verwijst daarbij naar de pagina's 2093-2098 van het dossier. Dat is merkwaardig. Op die pagina's is de verklaring te vinden, [betrokkene 1] een dag na de overval heeft afgelegd. In die verklaring is te lezen dat de overval volgens [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden tussen 16.15 uur en 16.30 uur. Hij heeft toen ook zijn redenen van wetenschap opgegeven: hij zag op de klok in de slaapkamer dat het rond 16.30 uur was toen de daders de woning verlieten. Een dag later, op 10 augustus 2012, heeft [betrokkene 1] desgevraagd nogmaals verzekerd dat hij op de klok keek toen de daders zijn slaapkamer verlieten en dat het toen ongeveer 16.30 uur was. Die klok liep overigens tien minuten voor, zodat het dan in werkelijkheid rond 16.20 moet zijn geweest.
24. Op basis van deze verklaringen van [betrokkene 1] is de tijdlijn dus anders dan de verbalisant [verbalisant 14] heeft gepresenteerd. Iets scherper geformuleerd: de door de verbalisant genoemde dossierpagina’s geven geen enkele steun aan de door hem geformuleerde suggestie dat de overval tussen 17.07 en 17.30 plaatsvond. Die verklaringen van [betrokkene 1] maken bovendien meteen duidelijk dat [verdachte] onmogelijk een van de daders van de overval kan zijn geweest. Ten tijde van de overval was hij immers nog in Culemborg. Dat staat op basis van de telefoongegevens buiten kijf.
25. Uw gerechtshof heeft kunnen lezen dat ik mij eerder nogal heb opgewonden over een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5], waarin is geprobeerd aan die onvermijdelijke conclusie te ontkomen. Volgens dat proces-verbaal zou [betrokkene 1] op 10 september 2012 aan deze verbalisant hebben medegedeeld dat de overval net zo goed om 15.30 uur of om 17.30 uur zou kunnen hebben plaatsgevonden en dat hij geen tijd had om op de klok in de slaapkamer te kijken. Ik moet bekennen dat ik nog steeds niet kan bevatten dat dit proces-verbaal in de voorafgaande stadia van deze strafzaak serieus is genomen. In een strafproces waarin op de professionele procesdeelnemers de zware verantwoordelijkheid rust om een bijdrage te leveren aan de waarheidsvinding, blijft het voor mij onbegrijpelijk dat aan de hand van dat proces-verbaal van bevindingen en in weerwil van de overduidelijke verklaringen van [betrokkene 1] op 9 en 10 augustus 2012 kan worden verondersteld dat [betrokkene 1] zich wel zal hebben vergist in het aanvangstijdstip van de overval.
26. [betrokkene 1] is op 9 en 10 augustus 2012 glashelder geweest: hij keek op de klok en zag dat het ongeveer 16.30 uur was toen de overvallers de slaapkamer verlieten. Het slachtoffer is daar niet in een latere verklaring op teruggekomen. Verbalisant [verbalisant 5] heeft namelijk op 10 september 2012 geen nadere verklaring opgenomen. Hij heeft een proces-verbaal van bevindingen opgesteld, waarvan de juistheid niet door [betrokkene 1] is bevestigd. Die verbalisant heeft bovendien zijn gesprek met het slachtoffer niet ten minste op geluidsband opgenomen, in strijd met de voorschriften van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten. Het is volgens mij evident dat door die regelschending de belangen van [verdachte] en zijn verdediging ernstig en onherstelbaar zijn geschaad: het is de verdediging onmogelijk gemaakt te controleren of [betrokkene 1] inderdaad - uit eigen beweging - terug is gekomen op zijn aanvankelijke verklaringen die [verdachte] een hard alibi bezorgden.
27. Dat betekent dat het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] niet voor de bewijsvoering kan worden gebruikt. Ik zeg bewust: voor de bewijsvoering. Het proces-verbaal kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt, maar ook niet ter weerlegging van het alibi.
28. De eerder uitgesproken overweging dat [betrokkene 1] zich moet hebben vergist in de tijd en dat de overval tussen 17.00 uur en 17.30 moet hebben plaatsgevonden, is bij uitstek een doelredenering. Er is namelijk helemaal niets dat die overweging ondersteunt. Zij is uitsluitend bedoeld om een poging te wagen [verdachte] als een van de overvallers aan te merken. Ook op basis van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] kan eenvoudigweg niet worden vastgesteld dat [betrokkene 1] in dat tijdvak, tussen 17.00 uur en 17.30 uur, is overvallen.
29. Maar zelfs als, zonder enige ondersteuning in het beschikbare materiaal, ervan wordt uitgegaan dat de overvallers ergens tussen 17.00 en 17.30 uur in de woning van [betrokkene 1] zijn geweest, kan [verdachte] niet een van de daders zijn geweest. Het staat vast dat de telefoon van [verdachte] die dag om 17.08:29 uur in Odijk is. Hij ontvangt dan een sms-bericht, waarbij zijn telefoon een mast in Odijk aanstraalt. Om 17:30:41 uur komt [verdachte] vervolgens aanlopen om bij de Rabobank te pinnen. Hij zou dan 22 minuten en 12 seconden de tijd hebben gehad om op en neer te rijden naar Zeist en aldaar een overval te plegen. Indien op basis van de gegevens van de ANWB wordt uitgegaan van een reistijd van 10 minuten - 5 minuten van Odijk naar Zeist en 5 minuten terug van Zeist naar Odijk - en er voorts rekening mee wordt gehouden dat de overvallers volgens [betrokkene 1] zo'n 15 minuten in de woning zijn geweest, dan is duidelijk dat de gedachte dat [verdachte] met een ander tussen 17.08 uur en 17.30 uur verantwoordelijk is geweest voor die overval illusoir is. Dat kan helemaal niet, als wordt onderkend dat met activiteiten zoals parkeren, uitstappen, lopen en het dragen van een televisie ook de nodige tijd is gemoeid.
In het pleidooi van 1 september 2014 hebben mr. Koers en ik uiteengezet dat het evenmin een optie is het tijdstip van de overval te verplaatsen naar kort voor 17.00 uur. Die beschouwingen, in de randnummers 24-27 van dat pleidooi, wil ik op deze plaats graag als herhaald en ingelast beschouwen.
30. Zelfs als dus wordt gedacht dat de overval heeft plaatsgevonden tussen 17.00 uur en 17.30 uur, kan [verdachte] dus niet een van de daders zijn. Dat is praktisch onmogelijk. Maar ik vertrouw erop dat uw gerechtshof met mij zal vaststellen dat de verklaringen van [betrokkene 1] op 9 en 10 augustus 2012 duidelijk maken dat de overval rond 16.15 uur plaatsvond en dat [verdachte] reeds daarom niet een van de daders kan zijn geweest.
36. De vijfde observatie heeft betrekking op de poging tot straatroof, waarvan de hoogbejaarde [betrokkene 5] , ook op 8 augustus 2012, het slachtoffer was. Op camerabeelden is te zien dat [betrokkene 5] om 17:06:36 uur de bank verlaat, alwaar hij geld had gehaald. Volgens het slachtoffer [betrokkene 5] is hij daarna terug gelopen richting zijn woning en is hij toen vlakbij zijn woning overvallen.
37. Misschien dat de gedachte heeft bestaan dat [verdachte] of [betrokkene 7] zich ook aan die straatroof schuldig heeft gemaakt. Het door het slachtoffer [betrokkene 5] gegeven signalement heeft echter evident geen betrekking op [verdachte] of [betrokkene 7] . Er zijn twee redenen waarom ik deze straatroof toch onder de aandacht van uw gerechtshof breng.
38. In de eerste plaats wil ik wijzen op de eerste bijlage bij het aanvullende proces-verbaal dat in augustus 2016 aan uw gerechtshof en de verdediging is gestuurd. Daarin is ook de melding van [betrokkene 5] opgenomen. Daaruit blijkt dat [betrokkene 5] door behulpzame kinderen is opgeraapt en dat die kinderen vervolgens de dader zijn gevolgd totdat die dader een woning, waarschijnlijk op de Heribertlaan in Odijk, binnen ging. Naar ik aanneem, is aldus volstrekt duidelijk dat [verdachte] noch [betrokkene 7] die dader is geweest. Die vaststelling is bovenal een waarschuwing: zij toont aan dat het niet juist is [verdachte] verantwoordelijk te houden voor de delicten die op 8 augustus 2012 in Zeist of Odijk zijn begaan, enkel omdat hij die dag in de buurt was. Die waarschuwing geldt natuurlijk ook voor de overval op [betrokkene 1] .
39. In de tweede plaats wil ik in dit verband nogmaals wijzen op de verklaring van de getuige [betrokkene 2]. Hij heeft gehoord dat [betrokkene 5] werd overvallen en hij is een van de jonge mensen geweest die vervolgens naar het slachtoffer zijn gegaan.
40. De afstand tussen de bank en de plaats waar [betrokkene 5] slachtoffer werd van de poging tot straatroof is niet groot. Ik wil er van uitgaan dat een man van 83 jaar oud die afstand in circa twee minuten kan overbruggen. Dan zou hij dus om 17.08 uur of 17.09 uur moeten zijn aangevallen. Daarna is [betrokkene 2] eerst naar [betrokkene 5] toegelopen en heeft hij gehoord wat het slachtoffer is overkomen. Vervolgens is [betrokkene 2] weggelopen. Laat ik er van uitgaan dat deze gebeurtenissen zich razendsnel hebben voltrokken en dat het 17.10 uur was toen [betrokkene 2] bij [betrokkene 5] weg is gelopen. Volgens [betrokkene 2] is hij 3 tot 5 minuten later, nadat hij weg is gelopen bij het slachtoffer [betrokkene 5] , aangesproken door de vier mensen in de auto, die hem vroegen waar de bank was. Dat zou dan ergens tussen 17.13 uur en 17.15 uur zijn geweest. Waarschijnlijk is het nog iets later geweest, omdat ik de tijdsindicaties in mijn uiteenzetting steeds heel conservatief - en dus in het nadeel van [verdachte] - heb weergegeven.
41. Die gegevens kunnen - nee: moeten - worden betrokken in de tijdlijn waarover ik hiervoor heb gesproken. De verklaring van [betrokkene 2] is namelijk in twee opzichten van belang. Als [betrokkene 2] tussen 17.13 en 17.15 uur is aangesproken door [verdachte] en consorten, dan is volstrekt duidelijk dat [verdachte] onmogelijk tussen 17.00 en 17.30 uur betrokken kan zijn geweest bij de overval op [betrokkene 1] . Hij kan in dat kwartiertje eenvoudigweg niet van Odijk naar Zeist zijn gereden, [betrokkene 1] hebben overvallen en terug zijn gereden naar Odijk om vervolgens om 17:30:41 uur naar de bank te lopen. Dat is ten enenmale onmogelijk. Bovendien laat de verklaring van [betrokkene 2] zien dat [verdachte] en consorten al rond 17.15 uur in het bezit waren van de bankpassen die bij [betrokkene 1] waren gestolen. Dat is volgens mij de enig logische verklaring voor de vraag die aan [betrokkene 2] is gesteld: waar is de bank?
42. Mijn vijfde observatie is dan ook dat de onderzoeksgegevens die betrekking hebben op de poging tot straatroof waarvan [betrokkene 5] het slachtoffer is geworden een duidelijke bevestiging vormen van met name de derde en de vierde observatie. Die gegevens vullen de tijdlijn aan en maken daarmee duidelijk dat [verdachte] over een hard alibi beschikt. Die gegevens maken bovendien de uitleg die [verdachte] heeft gegeven eens te meer aannemelijk.”
22. Hetgeen door de raadsman ter zake naar voren is gebracht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, dus als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.
23. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 8 augustus 2012 om 17:31 uur in het bezit was van de bij de aangever [betrokkene 1] gestolen pinpassen en vanaf dat tijdstip meermalen daarmee heeft gepind in Odijk. Voorts heeft het hof geoordeeld dat, gelet op het korte tijdsbestek en de korte nabijheid van de woning en de bank, daaruit het bewijs van het tenlastegelegde kan worden afgeleid.
24. Voor zover wordt bedoeld te klagen dat het hof van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is afgeweken zonder daarvoor de redenen op te geven die daartoe hebben geleid, faalt de klacht bij gebreke van een feitelijke grondslag.
25. De vraag die vervolgens beantwoording behoeft, is of het hof de niet-aanvaarding van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt voldoende heeft gemotiveerd. Ik meen van wel. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in ieder geval om 17:08 uur in Odijk en/of directe omgeving was. Uitvoerig gaat het hof daarbij in op het standpunt van de verdediging dat de verdachte op het tijdstip van de overval niet in Odijk was en kon zijn. Het hof heeft uitgerekend dat de verdachte rond 17:00 uur in Odijk kan zijn aangekomen. Dat tijdstip past in de niet onbegrijpelijke vaststelling van het hof dat de overval tussen 16:15 uur en 17:31 uur moet hebben plaatsgevonden. Ook als het tijdstip van 17:08 uur moet worden aangehouden, blijkt uit de bewijsvoering van het hof dat de verdachte heel wel binnen het tijdsbestek van 23 minuten de afstand naar de woning van de aangever kan hebben afgelegd, de overval kan hebben gepleegd en de afstand (terug) naar de Rabobank (ongeveer 1500 meter, rijtijd 5 minuten, hetgeen mij, A-G, zelfs bij een snelheid van 50 km per uur aan de ruime kant lijkt) kan hebben overbrugd. De door de verdediging geschetste tijdlijn sluit de juistheid van het oordeel van het hof dat de verdachte ergens tussen 17:00 c.q. 17:08 uur en 17:31 wel betrokken is geweest bij de overval niet uit; ook volgens die tijdlijn blijft immers tijd genoeg over waarin de overval gepleegd kan zijn.’s Hofs verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt voldoet derhalve aan de motiveringsplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld.
26. De zevende klacht voert aan dat het door het hof geformuleerde uitgangspunt – het bewijs van het tenlastegelegde kan worden afgeleid uit de vaststelling dat de verdachte om 17:31 uur in het bezit van de gestolen bankpassen was, “gelet op het korte tijdsbestek en nabijheid van de woning en de bank” – onbegrijpelijk is. Daarbij wordt verwezen naar de conclusie van advocaat-generaal Spronken, die voorafgaat aan het terugwijzende, en reeds hierboven in randnummer 1 genoemde arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3693, in welke conclusie zou zijn te lezen dat de overige door het hof genoemde omstandigheden geen van alle direct of doorslaggevend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de overval vormen en bovendien in het alternatieve scenario van de verdachte passen. 27. Ik merk allereerst op dat hetgeen mijn ambtgenoot toen in haar conclusie heeft opgemerkt, betrekking had op een in de toen ingediende schriftuur geformuleerde klacht. Die klacht had betrekking op de verwerping door het hof van het door de verdediging ingebracht alternatief scenario dat de verdachte niet betrokken is geweest bij de overval op de woning, maar dat hij kort daarna de bij die overval weggenomen bankpassen heeft ontvangen en daarvan gebruik heeft gemaakt. Het hof had dit alternatief scenario weerlegd met verwijzing naar de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en er daarbij onder meer expliciet op gewezen dat van de auto die op de camerabeelden bij de woning van de aangever is te zien genoegzaam was vastgesteld dat verdachte deze had bestuurd. De door het hof bedoelde camerabeelden waren door mijn ambtgenoot echter niet aangetroffen in het dossier en ook had zij geen aanwijzingen gevonden dat deze beelden daadwerkelijk bestaan. Dat betekende dat de uitspraak op dat punt niet naar de eis der wet met redenen was omkleed. Het hof had weliswaar nog enkele andere omstandigheden genoemd ter verwerping van het alternatieve scenario, maar omdat deze omstandigheden (aldus mijn ambtgenoot) geen van alle direct of doorslaggevend bewijs opleverden voor de betrokkenheid van de verdachte bij de overval zelf, was de vaststelling dat op camerabeelden bij de woning van de aangever de auto te zien zou zijn geweest de belangrijkste grond voor de verwerping van het alternatieve scenario. De conclusie van mijn ambtgenoot in dat verband, die nu in de toelichting op het middel in het verband van de zevende klacht wordt aangehaald, zag op een geheel andere bewijsvoering en was tot stand gekomen naar aanleiding van een geheel andere klacht en op een andere grond dan waarvan nu bij de zevende klacht sprake is.
28. Anders dan de steller van het middel, acht ik het oordeel van het hof dat het bewijs van het tenlastegelegde kan worden afgeleid uit de vaststelling dat de verdachte om 17:31 uur in het bezit was van de die middag bij aangever [betrokkene 1] gestolen pinpassen, gelet op het korte tijdsbestek en de korte nabijheid van de woning en de bank, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarin ligt als het oordeel van het hof besloten dat indien de verdachte kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, sprake kan zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte van belang is voor de beantwoording van de vraag of te zijnen laste diefstal en medeplegen kan worden bewezen.Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens de historische printgegevens van telecommunicatie omstreeks 17:08 uur in de directe omgeving van de plaats delict is geweest, de rijtijd tussen de woning van de aangever en de Rabobank (waar de eerste pintransactie plaatsvond), naar het hof heeft vastgesteld, ongeveer vijf minuten bedraagt en het hof, gemotiveerd en niet onbegrijpelijk, heeft vastgesteld dat de verdachte geen geloofwaardige verklaring (ten aanzien van zijn alternatieve scenario) heeft afgelegd. Daarmee faalt de zevende klacht.
29. In het verlengde van de vorige klacht, wordt als achtste klacht aangevoerd dat de aanduiding “het korte tijdsbestek en de korte nabijheid van de woning en de bank” in dit verband onvoldoende bepaald is. Uit het arrest volgt, zo meent de steller van het middel, dat de verdachte niet vóór 17:00 uur in de omgeving van de plaats delict is geweest. Als de aangever tussen 16:00 en 16:30 uur werd overvallen, dan kan volgens de steller van het middel in deze zaak niet als uitgangspunt worden genomen dat uit het bezit van de gestolen bankpassen het daderschap van de verdachte kan worden afgeleid, nu de verdachte blijkens de gebezigde bewijsmiddelen tussen 16:00 en 16:30 uur nog in Culemborg was of net uit die plaats was vertrokken.
30. Deze klacht lijkt te zijn gebaseerd op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Maar ook als dat anders is, mist zij doel. Met verwijzing naar hetgeen ik reeds in de randnummers 7 t/m 9 en 22 t/m 25 heb uiteengezet, heeft het hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de overval tussen 16:15 en 17:31 uur heeft plaatsgevonden, dat de verdachte vanaf 17:00 uur op de plaats delict kan zijn aangekomen en dat de verdachte in ieder geval om 17:08 uur in Odijk en/of de directe omgeving is geweest, hetgeen, als gezegd, de mogelijkheid openlaat dat de overval omstreeks 17:00 uur heeft plaatsgevonden.De aanduiding “het korte tijdsbestek en de korte nabijheid van de woning en de bank” acht ik in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof voldoende bepaald. De achtste klacht faalt.
31. De laatste klachten hebben alle betrekking op het oordeel van het hof dat het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario niet aannemelijk en ongeloofwaardig is.
32. Het hof heeft dat oordeel gemotiveerd door er op te wijzen dat de verdachte geen antwoord heeft gegeven op vragen, simpele vragen in mijn visie, over de “onbekende man”, die de verdachte opeens in hoger beroep ten tonele heeft gevoerd en dat hij alleen heeft weten te vertellen dat de “onbekende man” een kennis zou zijn van [betrokkene 4], die, daarnaar gevraagd, van niets weet.
33. In de eerste plaats wordt gesteld dat het oordeel van het hof over het alternatieve scenario onbegrijpelijk is, omdat in de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van het gerechtshof besloten ligt dat de verklaring van de verdachte alleen aan de hand van de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 4] controleerbaar is. Daarmee zou het hof ongemotiveerd voorbij zijn gegaan aan het onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaring van de verdachte steun vindt in de verklaring van getuige Reincke en in camerabeelden.
34. Deze klacht faalt, nu het hof niet heeft overwogen dat de verklaring van de verdachte alleen aan de hand van de verklaring van [betrokkene 4] controleerbaar is. Het hof heeft allereerst vastgesteld dat de verdachte, daarnaar gevraagd, niets zinnigs kon vertellen over de identiteit van die zogenoemde “onbekende man” en vervolgens overwogen dat “voor zover het verhaal van de verdachte controleerbaar was” [betrokkene 4] heeft verklaard zich er niets van te kunnen herinneren, en het zich zou hebben herinnerd als het verhaal van de verdachte zou kloppen. Blijkens de stukken van het geding kan Reincke niet iets uit eigen waarneming of ondervinding verklaren over het instappen van de “onbekende man” in de auto, de vraag of de verdachte en de anderen wat wilden bijverdienen, etc.
35. In de tweede plaats zou het oordeel van het hof over het alternatieve scenario onbegrijpelijk zijn, omdat het hof ter weerlegging van dit scenario een beroep doet op een verklaring van de medeverdachte [betrokkene 4] waarin zij zegt zich geen telefoongesprek te kunnen herinneren en zich zo een gesprek wel had herinnerd als dat er zou zijn geweest. Deze verklaring kan in de visie van de steller van het middel niet op een eigen waarneming of ondervinding van [betrokkene 4] zijn gebaseerd, zodat het hof ten onrechte een speculatie of veronderstelling van [betrokkene 4] heeft gebruikt ter weerlegging van het alternatieve scenario.
36. Bijzonder is nu dat iemand die er niet bij is geweest – Reincke – het verhaal van de verdachte wel zou kunnen bevestigen, maar degene die er wel bij is geweest niet, althans niet anders dan door speculatie of veronderstelling.
37. Hoe dan ook, een getuigenverklaring moet, ingevolge art. 342, eerste lid, Sv een mededeling behelzen van feiten en omstandigheden die de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden. Bij waarneming moet worden gedacht aan zintuiglijke kennisneming van externe gegevens, bij ondervinding aan hetgeen men aan zichzelf waarneemt, bijvoorbeeld pijn, schrik of angst. Een getuigenverklaring mag geen gissingen, vermoedens en/of veronderstellingen behelzen.
38. De getuige [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij nooit een telefoontje heeft gehad over de vraag of zij iets wilde bijverdienen in relatie tot een gestolen pinpas. Zij zegt zich dit echt niet te kunnen herinneren en dat ze een telefoongesprek over iets bijverdienen met een gestolen pinpas zich natuurlijk wel herinnerd zou hebben. Een ontoelaatbare veronderstelling lees ik hier niet in, nu de opkomende gedachte bij de getuige dat zij zich een dergelijk gesprek wel herinnerd zou hebben is gekoppeld aan een echte waarneming, namelijk dat zij eenvoudigweg geen telefoontje heeft gehad over de vraag of zij iets wilde bijverdienen met een gestolen pinpas.
39. Tot slot wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof over het alternatieve scenario onbegrijpelijk is in het licht van al hetgeen in cassatie is aangevoerd. Gelet op alle omstandigheden van het geval had het hof niet kunnen volstaan met de overweging “dat het hof een en ander niet aannemelijk acht omdat het er geen geloof aan hecht of omdat verzoeker pas voor het eerst in hoger beroep heeft verklaard”.
40. Het zal niet verbazen dat ik, eveneens gezien al het voorgaande, dit standpunt van de steller van het middel niet deel. Daarbij merk ik nog op dat het hof niet heeft volstaan met de overweging dat het één en ander niet aannemelijk is, maar dat het dit oordeel gemotiveerd heeft aan de hand van de verklaring van [betrokkene 4] en het feit dat de verdachte vragen omtrent de naam van de onbekende man, de wijze waarop de onbekende man werd aangesproken en de gegevens van de auto waarin de onbekende man reed niet heeft kunnen beantwoorden.
41. Derhalve zijn ook de laatste klachten met betrekking tot ’s hofs verwerping van het alternatieve scenario tevergeefs voorgesteld.
42. Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
43. Gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
44. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden