Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Aksoy’s Hofs – zijns inziens onbegrijpelijke – oordeel met betrekking tot de toepassing van de ET-regeling: [8]
3.Het geding in cassatie
ieder loontijdvakiets aan BPV is gevolgd;
BNB2017/224 [10] beperkt. De Inspecteur heeft namelijk ook zonder dat sprake is van frauduleus handelen de mogelijkheid om te toetsen of de gevolgde opleiding dezelfde is als de opleiding ter zake waarvan de afdrachtvermindering is geclaimd.
BNB2017/224 (zie hierna 4.3) geoordeeld dat het aan de Onderwijsinspectie om te beoordelen of de opleiding aan de in de WEB opgenomen eisen voldoet. Dat heeft de Onderwijsinspectie in casu beoordeeld en dat oordeel was negatief, zowel ten aanzien van de inhoud van de opleiding als ten aanzien van de BPV.
de mogelijkheidbiedt om een dergelijke regeling in te voeren. Uit niets blijkt echter dat belanghebbende de arbeidsvoorwaarden daadwerkelijk heeft gewijzigd. Volgens de Staatssecretaris gaat het Hof voor wat betreft de uitruil van een deel van het brutoloon ten onrechte voorbij aan de genietingstijdstippen van de reeds verstreken tijdvakken over het jaar 2008 (januari tot en met september). Loon wordt op voet van artikel 13a, lid 1, Wet LB 1964 geacht te zijn genoten op het tijdstip dat het wordt betaald of verrekend, ter beschikking wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel vorderbaar en tevens inbaar wordt. Op dat moment moet loonheffing worden ingehouden. Over reeds genoten loon kan de vergoeding van huisvestingskosten naar de mening van de Staatssecretaris niet met terugwerkende kracht in aftrek worden gebracht. Dat de Inspecteur een tegemoetkoming heeft gegeven door de ET-regeling voor het tweede half jaar van 2008 te corrigeren, getuigt volgens hem slechts van welwillendheid van de Inspecteur. Uit HR
BNB1998/100 [14] leidt hij af dat het niet mogelijk is om reeds genoten brutoloonbestanddelen in een cafetariaregeling om te wisselen tegen onbelaste vergoedingen of verstrekkingen.
contra legemis. Bij brief van 21 oktober 2013 [15] heeft de Inspecteur expliciet aangegeven dat herstel mogelijk is indien de correctie het gevolg is van bestaande afspraken, aldus belanghebbende.
BNB1998/100 (zie 5.9 hierna) heeft betrekking op inhoudingen die niet waren uitgezonderd van het loonbegrip. Extraterritoriale kosten maken geen onderdeel uit van het loonbegrip zodat het besluit niet in de weg staat aan uitruil van reeds genoten brutoloonbestanddelen tegen vrije vergoedingen of verstrekkingen.
4.Afdrachtvermindering onderwijs
BNB2017/224 [18] , schreef ik over de toetsingsbevoegdheid van de Inspecteur het volgende:
met betrekking tot de beroepsopleidingen[cursivering toegevoegd; A-G] waarvoor eindtermen zijn vastgesteld en de examinering die door de exameninstellingen wordt verzorgd”. [21] Ik leid daaruit af dat de in het CREBO opgenomen opleidingen kwalificerende ‘beroepsopleidingen’ in de zin van artikel 7.2.2 WEB zijn, waarbij is getoetst of het praktijkdeel, bij een beroepsbegeleidende leerweg, 60% of meer van de studieduur omvat. [22] Dit blijkt mede uit de uitlatingen op de website van de Rijksoverheid en de website van DUO. [23] Artikel 6.4.1 WEB belast de minister van OCW met de aanleg en het beheer van het register. [24] Dat hierbij de eigen expertise van deze dienst van wezenlijke betekenis is, is vanzelfsprekend.
BNB2016/82 is niet vereist dat de gehele beroepsopleiding wordt gevolgd. [29] Voldoende is dat de beroepspraktijkvorming die als zodanig deel uitmaakt van de beroepsbegeleidende leerweg van een van de beroepsopleidingen, wordt gevolgd. De belastinginspecteur is in dat geval de bevoegdheid gelaten om te beoordelen of de beroepspraktijkvorming van
dieberoepsopleiding is gevolgd. De inhoudingsplichtige dient dit aannemelijk te maken.
BNB2016/82 [37] is geoordeeld dat aan die voorwaarden moet zijn voldaan op het moment dat de in een tijdvak ingehouden loonbelasting wordt afgedragen:
BNB2017/228 [38] was het geval dat diverse werknemers van de belanghebbende een éénjarig maatwerkopleidingstraject hadden gevolgd dat bestond uit twee deelkwalificaties van een in het Crebo opgenomen beroepsopleiding. Voor de rechtbank was in geschil of voor het recht op afdrachtvermindering onderwijs is vereist dat de volledige beroepspraktijkvorming van de gehele driejarige opleiding wordt gevolgd. De rechtbank beantwoordde die vraag ontkennend. De Hoge Raad acht dat oordeel juist:
5.(Cafetaria)regeling voor extraterritoriale huisvestingskosten
Wet- en regelgeving
BNB1998/100 valt volgens de Staatssecretaris op te maken dat het niet mogelijk is om reeds genoten brutoloonbestanddelen in een cafetariaregeling om te wisselen tegen onbelaste vergoedingen of verstrekkingen. Het geval was dat de werkgever aan haar werknemers een leaseauto ter beschikking stelde. Als de gekozen leaseauto duurder was dan het beschikbaar gestelde bedrag, kwamen de meerkosten voor rekening van de werknemer. De werknemers kozen veelal voor het opnieuw doen vaststellen van het bruto-maandsalaris. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat die afspraak moest worden aangemerkt als een overeenkomst tot verrekening van de door de werknemers verschuldigde bedragen met hun toekomend loon. De Hoge Raad oordeelde, uitgaande van dat feitelijke oordeel, als volgt op het cassatieberoep: [42]
BNB2012/260 exploiteerde een scheepvaartbedrijf. In de jaren 2002 tot en met 2006 gold voor in Nederland woonachtige zeevarenden een afdrachtvermindering van 40% en voor niet in Nederland woonachtige zeevarenden een afdrachtvermindering van 10%. Naar aanleiding van vragen van de Europese Commissie is dat percentage vanaf 1 januari 2007 voor beide categorieën zeevarenden gelijkgesteld op 40%. In 2007 heeft de belanghebbende correctieberichten ingediend en met een beroep op het gemeenschapsrecht alsnog aanspraak gemaakt op toepassing van een afdrachtvermindering van 40% over de jaren 2002 tot en met 2006 voor de niet in Nederland woonachtige zeevarenden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat noch uit de tekst van artikel 28a Wet LB 1964 (het correctiebericht), noch uit de parlementaire toelichting daarbij blijkt dat de wetgever daarmee een uitzondering heeft willen maken op het beginsel dat na ommekomst van de bezwaartermijn, zonder dat bezwaar is gemaakt, de verschuldigdheid van het op aangifte afgedragen bedrag definitief is komen vast te staan: [43]
6.Beoordeling middelen
BNB2017/224 geoordeeld dat moet worden beoordeeld of een werknemer de BPV van de opleiding
daadwerkelijk heeft gevolgd. [64] De Hoge Raad heeft in HR
BNB2017/228 ook geoordeeld dat niet is vereist dat de volledige BPV wordt gevolgd. [65] Het standpunt van de Staatssecretaris zou er toe leiden dat een belanghebbende wel recht heeft op afdrachtvermindering onderwijs als in de POK zou zijn afgesproken dat één onderdeel zou worden gevolgd, maar niet als in de POK zou zijn afgesproken dat de gehele opleiding zou worden gevolgd maar de werknemer voortijdig stopt en daardoor maar één onderdeel heeft gevolgd. De reden waarom deze concrete deelnemersgegevens in de POK’s moeten worden opgenomen, is blijkens de memorie van toelichting bij een wijziging van artikel 7.2.8 WEB dat dit van belang is voor de bekostiging van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. [66] Daarin staat ook dat het aantal praktijkuren een schatting is en per jaar kan verschillen doordat niet gedurende dezelfde periode wordt gewerkt. Hetgeen is afgesproken in de POK is derhalve niet leidend bij de beoordeling van de vraag of daadwerkelijk BPV is gevolgd.
daadwerkelijkis gevolgd. In r.o. 4.8, tweede alinea, heeft het Hof geoordeeld dat in de deelnemersdossiers zich vastleggingen bevinden van “(aanwezigheid bij) lessen en teambuildingactiviteiten, ‘ [G] - student reports’, diverse (niet-erkende) certificaten, evaluaties van gevolgde lessen, verslagen van praktijkopdrachten en lessen en vastleggingen van beoordelingsgesprekken ter zake waarvan belanghebbende, door de Inspecteur onvoldoende weersproken, heeft gesteld dat daarin tevens de vervulde praktijkopdrachten aan de orde kwamen”. [68] Volgens het Hof blijkt uit die documenten van een “aansluiting tussen genoemde lessen, teambuildingactiviteiten en praktijkopdrachten en het opleidingsprogramma AKA”. ’s Hofs oordeel betreft de waardering van feiten, is niet onbegrijpelijk, en kan in cassatie dus niet met vrucht worden bestreden.
BNB2017/224 [69] afgeleid “dat enkel onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld in geval van frauduleus handelen, de toetsing zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.3.7 en 2.3.8 van dat arrest, tot het oordeel kan leiden, dat de beroepspraktijkvorming niet is gevolgd”. [70] Zulks geldt mijns inziens alleen wanneer een certificaat of diploma is uitgereikt. [71] De gevolgtrekking die het Hof maakt, is onjuist doordat het uitgaat van een onjuist criterium. Als het Hof daardoor slechts marginaal heeft getoetst of de beroepspraktijkvorming heeft plaatsgevonden, is dat ten onrechte en moet worden verwezen.
leerbedrijfde POK ondertekent en niet dat de detacherings- of uitzendorganisatie meetekent. [75] De inleners moeten dus tekenen en niet de uitleners. Uit bijlage 3 bij belanghebbendes hoger beroepschrift, door het Hof een speciale erkenningsregeling voor detacheringsorganisaties genoemd, blijkt dat uitzendorganisaties als leerplaats voor de opleiding AKA kunnen worden erkend door [CCC] . Blijkens het verweerschrift in hoger beroep van de Inspecteur heeft de Onderwijsinspectie het standpunt ingenomen dat de geschetste gang van zaken niet voldeed aan de eisen van de WEB, het Kenniscentrum daar op is aangesproken en de reglementen vervolgens zijn gewijzigd. [76]
contra legemtoepassing omdat bij de besluitvorming vaak belangen van derden zijn betrokken. [77] Het verwijzingshof zal moeten uitzoeken of belanghebbende gelet op de omstandigheden van dit geval een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen.
BNB2012/260, [80] bezwaar tegen de aanslagen niet de aangewezen weg was om de ET‑regeling alsnog toe te kunnen passen in het eerste half jaar van 2008 dit door middel van een correctiebericht kon worden gecorrigeerd.