ECLI:NL:HR:2010:BN4163
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en toetsing insluitingsfouillering
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor het bezit van een semi-automatisch pistool en munitie van categorie III. Het bewijs bestond uit verklaringen van de verdachte en getuigen, alsmede politieprocessen-verbaal waarin het wapen en de munitie werden beschreven en inbeslaggenomen tijdens een insluitingsfouillering.
De verdediging stelde dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat de tas van de verdachte onrechtmatig was doorzocht tijdens de insluitingsfouillering. De Hoge Raad oordeelde dat de bevoegdheid tot aftasten en doorzoeken van kleding en meegevoerde voorwerpen voorafgaand aan insluiting is gegrond op art. 9, vierde lid, Politiewet 1993 en art. 28 van Pro het Besluit ambtsinstructie. Deze bevoegdheid dient de veiligheid in het cellencomplex en omvat ook het onderzoeken van voorwerpen die de ingeslotene bij zich draagt.
De Hoge Raad verwierp het bewijsuitsluitingsverweer en bevestigde dat het aangetroffen wapen rechtmatig was verkregen. Wel werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf met vier maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot vier maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn; het bewijs werd als rechtmatig verkregen bevestigd.