ECLI:NL:PHR:2018:1123

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 augustus 2018
Publicatiedatum
9 oktober 2018
Zaaknummer
17/01814
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvArt. 348 SvArt. 349 SvArt. 359 SvArt. 14 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens schuldheling motor

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 29 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep in een zaak betreffende schuldheling van een motor. Verdachte stelde cassatie in tegen deze beslissing en voerde twee middelen aan.

Het eerste middel betrof een algemene klacht dat niet blijkt dat is onderzocht of de inleidende dagvaarding en de appeldagvaarding rechtsgeldig zijn betekend. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht onvoldoende duidelijkheid biedt over het onjuist of onbegrijpelijk zijn van het oordeel van het hof en dat de klacht daarom onbehandeld blijft. Tevens werd benadrukt dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de betekening als de verdachte of zijn advocaat die klacht niet bij de feitenrechter heeft ingebracht.

Het tweede middel betrof de klacht dat het hof ten onrechte verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in hoger beroep, met verwijzing naar artikel 14 lid 5 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. De Hoge Raad verwierp dit middel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bevestigd dat het recht op herziening niet betekent dat een verdachte die geen bezwaren heeft opgegeven in hoger beroep, toch ontvankelijk moet worden verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal was dan ook dat beide middelen falen en het cassatieberoep moet worden verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof dat verdachte niet-ontvankelijk verklaarde in hoger beroep blijft in stand.

Conclusie

Nr. 17/01814
Zitting: 28 augustus 2018 (bij vervroeging)
Mr. A.J. Machielse
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden heeft verdachte op 29 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het
eerste middelklaagt dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat is onderzocht of de appeldagvaarding alsmede de inleidende dagvaarding correct zijn betekend.
3.2. In eerste aanleg is verdachte niet verschenen maar was wel aanwezig mr. F. Tosun, advocaat te Almere die verklaarde door verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging. De advocaat heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter geen opmerkingen gemaakt over de uitreiking van de inleidende dagvaarding.
De opvatting dat het verschijnen ter terechtzitting van een gemachtigd advocaat de nietigheid van de dagvaarding wegens een betekeningsgebrek dekt is inderdaad onjuist. [1] Maar in cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over de wijze waarop de dagvaarding is betekend als de verdachte of zijn advocaat in de gelegenheid is geweest die klacht aan de feitenrechter voor te leggen en van die gelegenheid geen gebruik is gemaakt. [2]
3.3. In 2008 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in een zaak waarin werd geklaagd dat het hof had verzuimd te doen blijken van zijn ambtshalve ingesteld onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM in de vervolging. De Hoge Raad overwoog:
"4.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 348 Sv Pro behoort de rechter onderzoek te doen naar de geldigheid van de dagvaarding, zijn bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en het bestaan van redenen voor schorsing der vervolging. Uit het vonnis of arrest behoeft echter slechts dan te blijken dat de rechter dit onderzoek heeft verricht, indien
(a) op de voet van art. 349, eerste lid, Sv de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechter, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging of de schorsing der vervolging wordt uitgesproken, aangezien een dergelijke beslissing op grond van de eerste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv Pro met redenen moet zijn omkleed;
(b) in strijd met een door of namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer art. 349, eerste lid, Sv niet wordt toegepast, aangezien op grond van art. 358, derde lid, Sv in het vonnis of arrest bepaaldelijk een beslissing dient te worden gegeven omtrent zo een verweer, welke beslissing eveneens op grond van de eerste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv Pro met redenen moet zijn omkleed;
(c) de beslissing afwijkt van een door het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot een onderwerp als bedoeld in art. 348 Sv Pro, aangezien op grond van de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv Pro in het vonnis of het arrest in het bijzonder de redenen dienen te worden gegeven die daartoe hebben geleid;
(d) uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de dagvaarding nietig, de rechter onbevoegd of het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk is dan wel redenen voor schorsing van de vervolging bestaan, en niet een zodanige beslissing wordt gegeven." [3]
3.4. Anders dan de steller van het middel kennelijk wil, behoeft de rechter dus niet steeds te laten blijken onderzoek te hebben gedaan naar de geldigheid van de dagvaarding. Dat een vonnis of arrest niet inhoudt dat dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, betekent niet zonder meer dat de rechter dat onderzoek niet heeft gedaan. Veeleer zal het betekenen dat de rechter van oordeel is dat de dagvaarding niet nietig is.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting hoeft dus niet te blijken dat onderzocht is of de dagvaarding op de juiste wijze is betekend. Als de steller van het middel van mening zou zijn dat zich bijvoorbeeld het hiervoor onder (d) genoemde geval voordoet is het niet teveel gevraagd van een advocaat om dat onder de aandacht van de Hoge Raad te brengen.
Het middel faalt.
4.1. Het
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep. Verwezen wordt naar het vijfde lid van artikel 14 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.
4.2. Onder het hoofd "Ontvankelijkheid van het hoger beroep" heeft het hof het volgende overwogen:
“Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416 tweede Pro lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom met-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.”
4.3. Voor de beoordeling van het bezwaar dat de steller van het middel formuleert tegen deze niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep verwijs ik de steller van het middel naar een - hem waarschijnlijk wel bekend - arrest uit 2011 waarin de Hoge Raad overwoog:
"3.3. Het middel berust op de opvatting dat art. 14, vijfde lid, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - voor zover, in de Nederlandse vertaling, inhoudende dat "een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld het recht [heeft] de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet" - zich ertegen verzet dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn beroep op de op art. 416, tweede lid, Sv gebaseerde grond dat de verdachte noch bij schriftuur, noch ter terechtzitting in hoger beroep zijn bezwaren heeft opgegeven tegen het bestreden vonnis. Die opvatting is echter onjuist." [4]
Ook dit middel faalt.
5. Beide middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9649,
2.HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8360.
3.HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766,
4.HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7790,