Conclusie
middelklaagt dat het hof het (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen. Uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken van het geding kan over het procesverloop, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende worden afgeleid:
‘dat hij deze schriftuur zal wijzigen c.q. aanvullen als hij na ontvangst van de uitgewerkte bewijsmiddelen meer duidelijkheid heeft in de motivatie van de rechtbank’;
‘eveneens de bedrijfsleider van de bar Extase zou willen horen (…)’. Kennelijk wordt hiermee gedoeld op de volgende passage uit de aanvullende appelschriftuur:
‘op 2 februari naar aanleiding daarvan nog een verklaring (heeft) overgelegd van deze bedrijfsleider (…)’. Op 2 februari 2016 is door de raadsman een e-mailbericht aan het hof verzonden met als bijlage de verklaring van
‘bedrijfsleider [getuige 1] ’. Dit e-mailbericht bevat geen verzoek tot het (nader) horen van die [getuige 1] , noch wordt in dat bericht vermeld dat deze [getuige 1] de in de aanvullende schriftuur bedoelde getuige (de uitsmijter) zou betreffen.
‘uitsmijter’. Niet blijkt, in tegenstelling tot hetgeen door de steller van het middel wordt betoogd, dat deze persoon de in het middel bedoelde
bedrijfsleider[getuige 1] zou betreffen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan het er aldus niet voor worden gehouden dat bij (aanvullende) appelschriftuur gemotiveerd is verzocht de getuige [getuige 1] te horen. Voor zover het middel uitgaat van de stelling dat het bedoelde verzoek besloten ligt in de bij appelschriftuur gemaakte opmerking
‘dat hij deze schriftuur zal wijzigen c.q. aanvullen als hij na ontvangst van de uitgewerkte bewijsmiddelen meer duidelijkheid heeft in de motivatie van de rechtbank’, kan het eveneens niet slagen. Voor zover al moet worden aangenomen dat deze opmerking ook betrekking heeft op het incident in bar Extase, geldt immers dat op een degelijk in de appelschriftuur omschreven verzoek niet hoeft te worden beslist en het kan ook niet worden aangemerkt als een opgave van getuigen. [3]
‘het hof niet noodzakelijk wordt geacht voor het nemen van enige beslissing in deze zaak’
.Zodoende heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. Gezien hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, waarbij ook het stadium waarin het verzoek is gedaan een rol speelt [7] , is ‘s hofs afwijzende oordeel van dit verzoek niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.