Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
30%-regeling met ingang van 1 augustus 2012. De Inspecteur heeft het verzoek bij brief van 10 oktober 2012 afgewezen met toepassing van artikel 10e van het Uitvoeringsbesluit zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2012.
3.Het geding in cassatie
BNB2006/264 voortvloeit dat het beoordelingsmoment voor het voldoen aan de criteria van het Uitvoeringsbesluit valt bij totstandkoming van de arbeidsovereenkomst, welke in het voorliggende geval 22 dan wel 30 december 2011 is. Belanghebbende meent dat daarnaast geen ruimte is voor nog een ander beoordelingsmoment, zoals 1 januari 2012 of later. Immers, merkt belanghebbende op, woonde belanghebbende in het genoemde arrest op de door de inspecteur voorgestane en afgewezen tijdstip van beoordeling, de aanvang van de tewerkstelling, al geruime tijd in Nederland.
4.Wetgeving, jurisprudentie en literatuur
Wet- en regelgeving
BNB2006/264 geoordeeld over de voorwaarden voor toepassing van de 35%-regeling uit het Besluit 1995. Ter zake van de voorwaarde of belanghebbende ‘uit een ander land is aangeworven’ heeft de Hoge Raad geoordeeld: [19] [20]
BNB2006/264 geoordeeld ter zake van de voorwaarde voor toepassing van de 35%-regeling of belanghebbende beschikte over ‘specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is’: [21]
BNB2015/204 betrof ook een zaak over de 30%-regeling. Per 1 januari 2012 is een nieuwe salarisnorm geïntroduceerd aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of is voldaan aan de deskundigheidseis. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aan de hand van de regeling ten tijde van het totstandkoming van de arbeidsovereenkomst (in casu 2011) moet worden getoetst of belanghebbende over de vereiste specifieke deskundigheid beschikt: [22] [23]
BNB2006/264 geschreven dat de 30%-regeling een dode letter zou zijn als niet de dag waarop de arbeidsovereenkomst wordt gesloten maar de aanvang van de dienstbetrekking als peildatum zou gelden: [26]
BNB2006/264 op dat indien de indiensttreding als meetmoment heeft te gelden, de 35%-regeling een dode letter zou zijn: [27]
BNB2006/264 aansprekend: [29]
BNB2015/204 kritisch op het arrest van de Hoge Raad.
Mertensmeent dat voor wat betreft de in geschil zijnde wijziging van de 30%-regeling de opvatting van de Hoge Raad duidelijk is, maar
Mertenswil dit arrest niet als richtinggevend beschouwen voor het principiële punt van de onmiddellijke werking voor wetswijzigingen ten faveure van de belastingplichtige:
BNB2015/204 aan bij het commentaar van Mertens: [32]
BNB2015/204 kennelijk een onjuiste visie had op het begrip ‘directe werking’: [33]
BNB 2006/264overwoog de Hoge Raad dat, gelet op doel en strekking van de regeling, de deskundigheid op het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst dient te worden beoordeeld, en niet op een latere datum. Daarmee is dus sprake van een rechtsgevolg op basis van één bepaald moment: een rechtsfeit, en dat rechtsfeit is de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. In onderhavige casus was niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst in 2011 tot stand was gekomen, id est onder de oude regelgeving. Dit betekent dat, uitgaande van de directe werking van de wijzigingen per 1 januari 2012, deze wijzigingen geen effect hebben op dit voldongen rechtsfeit. In tegenstelling tot wat belanghebbende betoogde, heeft de rechtbank dus wel terdege de directe werking van art. 10eb UBLB erkend – belanghebbende had kennelijk alleen een andere visie op het begrip ‘directe werking’.
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieheeft geschreven dat bij de beoordeling of aan de voor de toepassing van de 30%-regeling geldende voorwaarden is voldaan, de datum van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst de peildatum is: [38]
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieniet de datum van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst van belang, maar – ingevolge de uitspraak van het Hof in onderhavige zaak – de datum van de tewerkstelling: [39]
150 kilometercriterium daarentegen is niet de datum van het sluiten van de arbeidsovereenkomst maar de datum van de tewerkstelling in Nederland bepalend (zie Hof Den Haag 19 december 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3606).
5.Behandeling van de klachten
BNB2006/264 heeft de Hoge Raad geoordeeld of een belanghebbende ‘uit een ander land is aangeworven’ én of die belanghebbende in bezit was van ‘specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is’. [49] Voorts heeft de Hoge Raad in HR
BNB2015/204 geoordeeld over de per 1 januari 2012 geïntroduceerde salarisnorm aan de hand waarvan kan worden getoetst of een belanghebbende de vereiste specifieke deskundigheid bezit. [50] Ik zal beide arresten nader bespreken.
BNB2006/264 [51] heeft de Hoge Raad overwogen dat het Besluit 1995 geen aanknopingspunt biedt voor de vraag wanneer de belanghebbende moest voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling. [52] De Hoge Raad heeft daarom het antwoord gezocht in doel en strekking van de 30%-regeling. De Hoge Raad heeft geoordeeld: “Blijkens de aanhef van paragraaf 1.3.1 van het Besluit strekt de 'vrijgestelde vergoeding' ertoe de buitenlandse werknemer tegemoet te komen in de extra uitgaven waarvoor hij zich geplaatst ziet in verband met zijn tewerkstelling door een binnenlandse werkgever. Het strookt met deze strekking om het tijdstip van 'aanwerving' te stellen op dat van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst, ook indien de overeengekomen datum van indiensttreding een latere is. Zou immers het tijdstip van indiensttreding als tijdstip van 'aanwerving' worden aangemerkt, dan zou in de veelvuldig voorkomende situatie waarin het tijdstip van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst voorafgaat aan dat van de indiensttreding en de betrokken werknemer - zoals ook in het onderhavige geval - met het oog op zijn indiensttreding zijn woonplaats voorafgaand aan de indiensttreding naar Nederland verlegt, de 35%-regeling geen toepassing kunnen vinden, hoewel deze werknemer zich ontegenzeggelijk in rechtstreeks verband met zijn indiensttreding bij een binnenlandse werkgever voor extra uitgaven geplaatst ziet.”
BNB2006/264 voorts geoordeeld dat ter zake van de voorwaarde dat de belanghebbende ‘specifieke deskundigheid [bezit] die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is’ eveneens geldt dat het Besluit 1995 geen aanknopingspunt biedt en dat dus naar doel en strekking van de regeling moet worden gekeken. De Hoge Raad oordeelde dat belanghebbende ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst moest voldoen aan deze voorwaarde.
BNB2015/204 [53] stond de deskundigheidseis centraal. Deze eis is per 1 januari 2012 gewijzigd: op die datum is een salarisnorm geïntroduceerd aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of is voldaan aan deze eis. Werknemers die een mastertitel hebben behaald en de leeftijd van 30 jaren nog niet hebben bereikt, voldoen aan de deskundigheidseis indien hun salaris hoger is dan een bepaald bedrag. Op dit artikel is geen overgangsrecht van toepassing; dit artikel heeft onmiddellijke werking. [54] De belanghebbende, die niet voldeed aan de deskundigheidseis zoals die gold onder de vóór 1 januari 2012 geldende regelgeving, voldeed wel aan de nieuwe salarisnorm. De voorwaarden waren bezien vanuit deze belanghebbende dus versoepeld per 1 januari 2012.
BNB2015/2014 direct gewezen op de gedachte die (mede) aan de 30%-regeling ten grondslag heeft gelegen (en niet eerst expliciet naar de letter van de wet): “Aan de 30%-bewijsregel heeft mede de gedachte ten grondslag gelegen dat door vergroting van het netto besteedbare loon van de betrokken werknemer een faciliteit wordt geboden die het bedrijfsleven beter in staat stelt schaarse specifieke deskundigheid aan te trekken.” Het strookt volgens de Hoge Raad met deze gedachte om aan de hand van de feiten ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst te beoordelen of de betrokken werknemer over de vereiste specifieke deskundigheid beschikt. Op dat moment staat immers de binnenlandse (aspirant-)werkgever in concurrentie tot buitenlandse (aspirant-)werkgevers en heeft hij baat bij het bestaan van de faciliteit. De Hoge Raad heeft in dit arrest verwezen naar zijn (vergelijkbare) overwegingen in arrest HR
BNB2006/264. [55] Zoals uiteen gezet in mijn conclusie bij dit arrest, onderschrijf ik het oordeel in HR
BNB2015/204. [56]
BNB2015/204. Zoals gezegd zag de situatie van HR
BNB2015/204 op de vraag of de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling van vóór 2012 van toepassing waren óf de voorwaarden vanaf 2012, waarbij de belanghebbende in die zaak – in tegenstelling tot de belanghebbende in onderhavige zaak – was gebaat bij toepassing van de regels vanaf 2012. In HR
BNB2015/204 heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar doel en strekking van de 30%-regeling – geoordeeld dat de datum van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst bepalend is. De belanghebbende in die zaak kon dus geen geslaagd beroep doen op de per 1 januari 2012 onmiddellijk in werking getreden – voor hem soepelere – voorwaarden. Dit kan naar mijn mening niet anders zijn in onderhavige zaak waarin de voorwaarden die per 1 januari 2012 onmiddellijk inwerking zijn getreden vanuit belanghebbende bezien zijn aangescherpt.
BNB2006/264 en HR
BNB2015/204. Uit het vorenstaande volgt dat ’s Hofs uitspraak blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat de klacht van belanghebbende slaagt.