Conclusie
‘Droog op Water, Jollenpad 10 te Amsterdam.’
constitutum possessoriumaan hem heeft geleverd, dat niet is gebleken van een ongeldige (want met het fiduciaverbod strijdige) titel, dat Crea Yachting de boot derhalve van een beschikkingsonbevoegde heeft verkregen en dat Crea Yachting geen beroep toekomt op de in art. 3:86 lid 1 BW Pro bedoelde derdenbescherming omdat niet gebleken is dat haar het bezit van de boot is verschaft. De vordering van [eiser 2] tot teruggave van roerende zaken is toegewezen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1is gericht tegen rov. 3.5.2 van het bestreden arrest en klaagt dat het hof ten onrechte niet ambtshalve de rechtsgronden heeft aangevuld en ten onrechte geen cesuur heeft geplaatst tussen de verwijzingsregel en het daardoor aangewezen recht dat van toepassing is op de overeenkomst enerzijds, en de verwijzingsregel en het daardoor aangewezen recht dat van toepassing is op de overdracht anderzijds.
Subonderdeel 1.2klaagt dat de beslissingen van het hof onbegrijpelijk zijn, omdat Crea Yachting ter onderbouwing heeft aangegeven dat [eiser 2] in de Dominicaanse Republiek woont, dat het gaat om de gewone verblijfplaats van de partij die de meest kenmerkende prestatie heeft geleverd,
in casu[eiser 2] , en dat de overeenkomst dus moet worden beoordeeld naar het recht van de Dominicaanse Republiek. Het hof heeft voorts miskend dat het op grond van art. 25 Rv Pro en/of art. 10:2 BW Pro had dienen te constateren dat op de obligatoire overeenkomst het recht van de Dominicaanse Republiek van toepassing is en dat het dat recht ambtshalve had moeten toepassen op de uitleg van de overeenkomst tussen [eiser 2] en Crea Yachting.
longa manuin december 2013 toen de boot was gestald bij Droog op Water (in Nederland), hetzij door een symbolische handeling in het voorjaar in 2014 (in België). [6] De rechtbank heeft in haar vonnis van 23 december 2015 overwogen dat de subsidiaire stelling van Crea Yachting, dat de levering door [eiser 2] in het voorjaar van 2014 heeft plaatsgevonden doordat de boot door [eiser 2] ten behoeve van Crea Yachting naar België is gevaren en aldaar door Crea Yachting in gebruik is genomen, wordt betwist door [verweerder] . Bovendien zijn volgens de rechtbank onvoldoende feitelijke omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat Crea Yachting de boot in gebruik genomen heeft (rov. 4.14).
“(…) De boot is in het voorjaar van 2014 opgehaald door [eiser 2] , na een aantal aanvullende werkzaamheden heeft hij de boot in ontvangst genomen en weg gevaren. (…) De werkzaamheden zijn uitgevoerd op verzoek van [eiser 2] en gefactureerd aan Crea Yachting. Bij mijn weten is de Nauda eigendom van Crea Yachting, met als gebruiker [eiser 2] .”
lex rei sitaeten tijde van het voor de verkrijging van de eigendom noodzakelijke rechtsfeit), nu de boot zich ten tijde van de levering in Amsterdam bevond. Het hof heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het Nederlandse recht toe te passen en dit oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Subonderdeel 1.3 kan derhalve niet tot cassatie leiden.
Subonderdeel 3.2klaagt dat, indien het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, sprake is van een onbegrijpelijk oordeel omdat het hof zich geen rekenschap heeft gegeven van de in het subonderdeel genoemde gezichtspunten die bij de geldende maatstaf zijn gegeven. [17]
Subonderdeel 5.1klaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de grieven 1 t/m 6, waarmee Crea Yachting betoogt dat geen (rechtsgeldige) verkoop en eigendomsoverdracht van de boot aan [verweerder] heeft plaatsgevonden, alsmede het bewijsaanbod van Crea Yachting, niet tot een andere uitkomst kunnen leiden en daarom verder onbesproken worden gelaten. Indien na de beoordeling van de grieven 1 t/m 6 zou komen vast te staan dat [verweerder] geen eigenaar zou zijn geworden, staat vast dat Crea Yachting van een beschikkingsbevoegde heeft verkregen en komt het vonnis van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking, aldus het onderdeel.
Subonderdeel 6.1klaagt dat het hof heeft miskend dat het de vorderingen van Crea Yachting zelfstandig had dienen te beoordelen en dus niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar hetgeen het hof ten aanzien van [eiser 2] zou gaan beslissen.
Subonderdeel 6.2klaagt dat met name in het licht van de vaststellingen van het hof dat Crea Yachting en [eiser 2] zelfstandig in rechte optreden, onbegrijpelijk is de beslissing van het hof dat Crea Yachting weliswaar de titel en de levering aan [verweerder] heeft betwist, maar nu [eiser 2] dat niet zou hebben gedaan, aan Crea Yachting (die processueel een zelfstandige positie heeft los van [eiser 2] ) de vordering tot revindicatie moet worden ontzegd. Het subonderdeel betoogt ook dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de onbesproken gelaten grieven 1 t/m 6 en de navolgende essentiële stellingen van Crea Yachting. Het betreft de stellingen dat (i) partijen wisten dat [verweerder] geen werkelijke wil had om de boot te kopen en (ii) [verweerder] simpelweg met het document ‘overdracht van eigendom’ in de hand wilde trachten om een geldlening te sluiten met de boot als onderpand. De beslissing van het hof is daarnaast onbegrijpelijk, omdat het hof wel heeft aanvaard dat [verweerder] de rechtsgeldigheid van de titel voor overdracht van [eiser 2] aan Crea Yachting betwist, maar niet heeft aanvaard dat Crea Yachting de geldigheid van de titel voor overdracht van [eiser 2] aan [verweerder] betwist.
Subonderdeel 6.3bouwt hierop voort en klaagt dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van Crea Yachting heeft gepasseerd.
Subonderdeel 8.1klaagt dat de beslissingen van het hof in rov. 3.8.4 onbegrijpelijk zijn in het licht van het feit dat meerdere partijen in dit geding de eigendom pretenderen van een roerende zaak (de boot), waarover de rechter niet anders kan beslissen dan in een geding gevoerd tussen alle betrokkenen omdat het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten opzichte van alle partijen luidt in dezelfde zin en dus sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat hiervan sprake is en dat in dat kader alle stellingen ongeacht van welke partij deze afkomstig zijn in de beoordeling hadden moeten worden betrokken, dus ook de stellingen van Crea Yachting.