Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairniet-ontvankelijk te verklaren en
subsidiairte verwerpen. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben [verzoekers] bij afzonderlijk verweerschrift tegen het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring geconcludeerd tot verwerping van dat verweer. Partijen hebben hun zaak vervolgens schriftelijk doen toelichten, waarbij de curator zijn verzoek tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoekers] heeft ingetrokken. Tot slot heeft de curator nog gedupliceerd.
2.Ontvankelijkheid
3.Beoordeling van het cassatieberoep
recht op wederhoorjegens [verzoekers] heeft geschonden, door alleen een gesprek te hebben met (enkele personen uit het bestuur van) de stichting Machiavelli, in aanwezigheid van de curator (verzoekschrift tot cassatie, nr. 4.1, 4.8). Daartoe wordt, zo begrijp ik, in nr. 4.5 verwezen naar de Toelichting in hoger beroep, “griefonderdeel 7.1” (p. 8). Door niet op deze grief te responderen heeft de rechtbank haar taak als appelrechter miskend althans een onvoldoende met redenen omkleed oordeel gegeven, aldus het onderdeel (nr. 4.7, 4.9), dat nog betoogt dat gegrondbevinding van de grief tot terugwijzing zou moeten leiden (nr. 4.6).
ten tweedenog klaagt dat de rechtbank haar taak als appelrechter heeft miskend dan wel een onvoldoende met redenen omkleed oordeel heeft gegeven door in haar beschikking geen kenbare aandacht te besteden aan
“griefonderdeel 7.2”zoals nader uitgewerkt in de processtukken [14] , faalt het eveneens. Onduidelijk is wat in
“de voorgestelde grief en de daarbij gegeven toelichting”(nr. 4.9) precies de grief c.q. (kern)stelling zou moeten zijn. De Toelichting hoger beroep onder par. 7 (“Grieven”) nr. 2 bevat immers geen (duidelijk) als zodanig geformuleerde grief maar slechts een aantal niet nader gekwalificeerde stellingen, terwijl op de in het middel vermelde vindplaatsen een groot aantal (andere) niet nader gekwalificeerde stellingen van [verzoekers] wordt aangetroffen. Nu niet met voldoende bepaaldheid en precisie wordt aangegeven op welke grief dan wel (essentiële) stelling de rechtbank niet heeft gerespondeerd, faalt de klacht reeds omdat zij niet voldoet aan de in art. 426a lid 2 Rv gestelde eisen. [15]
eerste klachtvan onderdeel II (nrs. 5.1 en 5.2) is gericht tegen de eerste volzin van rov. 5.2 van de bestreden beschikking (aangehaald hiervoor onder 1.7) en luidt dat deze overweging rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Het voert daartoe aan dat, voor zover de bestreden overweging aldus moet worden begrepen “
dat een ex tunc toetsing hier aan de orde is of volstaat”, de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuist rechtsopvatting omdat zij het verzoek van de curator ‘ex nunc’ had moeten beoordelen.
feitelijk op dit momentnog steeds niet beschikbaar is gesteld, waardoor noch de rechter-commissaris ten tijde van de beschikking,
noch de rechtbank op dit momentzich een beeld kan vormen over de waarde van de Duitse projecten en dus ook de vraag of de VSO in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers nog steeds niet te beantwoorden is. (…).”
tweede klachtvan onderdeel II (nrs. 5.3-5.7) is (kennelijk) gericht tegen de hiervoor onder 3.11 geciteerde overweging (rov. 5.2, derde volzin). Deze klacht luidt, zo begrijp ik, dat het de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet vrij stond de
door de stichting Machiavelli opgeworpen kwestiesin haar oordeel te betrekken (nr. 5.5) en dat de rechtbank ten onrechte – met miskenning van haar taak – heeft nagelaten zelfstandig de (non-)relevantie van de door de stichting Machiavelli opgeworpen vraagpunten te onderzoeken en vast te stellen (nr. 5.7). Daartoe wordt aangevoerd:
“graag bereid”te zijn de gewenste informatie te verstrekken, onder voorwaarde van geheimhouding. [21]
eerste(nr. 6.1) en de
tweede klacht(nr. 6.2) van onderdeel III komen neer op een herhaling van de eerste respectievelijk tweede klacht van onderdeel II en falen daarom eveneens.
derde klachtvan onderdeel III (nrs. 6.3-6.6) klaagt dat de rechtbank ten onrechte geen
tussenbeschikkingheeft gewezen waarbij [verzoekers] in de gelegenheid worden gesteld de (door [verzoekers] aangeboden) aanvullende informatie te verstrekken. Dit klemt volgens het middel te meer omdat de rechtbank niet is ingegaan op de stelling van zowel [verzoekers] als de curator [22] dat het niet doorgaan van deze VSO tot het faillissement van MEI zal leiden. Met de onomkeerbare gevolgen daarvan is het boedelbelang bij goedkeuring van de VSO reeds gegeven, aldus het middel.
“Immers (…) een faillissement van MEI zal in dat geval onafwendbaar zijn.”). De klacht faalt derhalve.
vierde klachtvan onderdeel III (nr. 6.7) komt er samengevat op neer dat de rechtbank haar beslissing tot het onthouden van goedkeuring aan de VSO ten onrechte op een ontoelaatbare “
fishing expedition”heeft gebaseerd. Daartoe wordt aangevoerd dat, naar [verzoekers] hebben gesteld [23] , alle informatie die de curator na het overeenkomen van de VSO nog van [verzoeker 1] heeft verlangd omtrent de Duitse vennootschappen, niet gericht is op het goedkeuren van de VSO, maar op verbetering van de positie van de boedel in procedures die de curator alsnog tegen [verzoeker 1] wil voeren indien de onthouding van de goedkeuring in stand blijft.
de rechterdie om nadere informatie over (de waarden van) de Duitse projecten heeft verzocht. Het vervolgens door de curator bij [verzoekers] opvragen van die informatie (omdat de curator niet over deze informatie beschikte, vgl. p. 2 en 3 van de beschikking van de rechter-commissaris) was dus, voor zover al relevant, weldegelijk gericht op het verkrijgen van goedkeuring voor het aangaan van de VSO met [verzoekers] (vgl. p. 2 derde tekstblok van de beschikking van de rechter-commissaris). Zelfs al zou deze informatie door de curator tegen [verzoekers] gebruikt kunnen worden indien de onthouding van de goedkeuring in stand blijft, zoals de klacht impliceert, dan nog leidt dat er niet toe dat de rechter deze informatie niet zou mogen opvragen. Evenmin leidt dat er toe dat de rechter, bij het niet beschikken over deze informatie, zijn goedkeuring niet zou mogen onthouden. Ook daarom faalt de klacht.