Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairontslag van de huidige curator en benoeming van [verweerster 5] tot opvolgend curator verzocht, en
subsidiairverzocht om tijdelijk een tweede curator te benoemen, met bepaling dat de curatoren slechts gezamenlijk bevoegd zullen zijn tot uitvoering van de curatele.
primair, schorsing van de curator en benoeming van een tweede curator die gedurende de schorsing zelfstandig bevoegd zal zijn tot uitoefening van de curatele met bepaling dat na opheffing van de schorsing beide curatoren slechts gezamenlijk daartoe bevoegd zullen zijn, en
subsidiair, een tweede curator te benoemen met bepaling dat de beide curatoren slechts gezamenlijk bevoegd zullen zijn tot uitoefening van de curatele.
2.Ontvankelijkheid van het principale cassatieberoep
dezeprocedure. Het woord van mr. Alt is daarbij volgens haar niet zonder meer beslissend, in welk verband zij verwijst naar r.o.v. 5.6 van genoemde beschikking (
“door de rechter zelf zal moeten worden beoordeeld of dit woord(het woord van de advocaat; LK)
overeenstemt met wat de curandus op grond van een redelijke waardering van zijn belangen zelf verlangt.”).
primairde huidige curator te ontslaan en [verweerster 5] tot opvolgend curator te benoemen, en
subsidiairtijdelijk een tweede curator te benoemen, met bepaling dat de curatoren slechts gezamenlijk bevoegd zullen zijn tot uitvoering van de curatele, afgewezen. Beide kwesties kwalificeren als zaken van curatele.
“Wat vindt u van [verweerster 6], uw curator?”opgenomen:
“En uw advocaat mevrouw Berna Kramer?”:
“als de hogere advocaat, die Berna opvolgt, haar zaken al aan het behartigen is en hoe lang het gaat duren voordat deze curator weg is en zij weer met haar kinderen kan wonen.”;
tenzij hij, ook met behulp van zijn advocaat, niet tot een redelijke waardering van zijn bij dit conflict betrokken belangen in staat is.Dit strookt ook met de gedachte dat de curandus, voor zover hij tot een dergelijke waardering in staat is, in beginsel zeggenschap over zijn verzorging en verpleging dient te hebben (…).”
) [32] .Althans gaat het erom dat betrokkene in staat was haar wil te bepalen en de betekenis van het instellen van het desbetreffende rechtsmiddel te begrijpen [33] . Voorkomen moet immers worden dat
“over het hoofd van de onder curatele gestelde heen wordt geprocedeerd” [34] of dat op naam van de onder curatele gestelde wordt geprocedeerd
“zonder dat ten minste aannemelijk is dat deze daartoe zijn wil op redelijke wijze heeft kunnen bepalen, rekening houdende met de aard van het geschil en de mate waarin de onder curatele gestelde daaromtrent tot wilsbepaling in staat is” [35] .
“zaken van curatele”, zoals gebruikt in het toenmalige art. 886 Rv Pro (
“In zaken van curatele is degene wiens curatele het betreft, bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen.”). Die bepaling stelde niet de bijkomende eis dat de curandus tot een redelijke waardering van de betrokken belangen in staat diende te zijn. A-G Asser schreef daarover in zijn conclusie onder 3.22, kennelijk doelend op
“zaken van curatele”in enge zin:
“zaken van curatele”in enge zin. Naar ik meen moet de voorwaarde dat de curandus tot een redelijke waardering van de betrokken belangen in staat moet zijn, zo dit criterium ook
“in zaken van curatele”in enge zin al geldt, met een zekere ruimhartigheid worden toegepast. Uit de door mr. Alt overgelegde stukken lijkt voort te vloeien dat betrokkene zich bewust was van de lopende procedures en dat deze met haar (op zichzelf niet onaannemelijke) wensen overeenstemden. Dat betrokkene daarbij niet zelf een advocaat heeft benaderd om een procedure in cassatie te starten, staat daaraan mijns inziens niet in de weg.
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
onderdeel 2.1keert betrokkene zich tegen rov. 4.9 van de beschikking (van 5 juli 2016), die betrekking heeft op het hoger beroep van de beschikking van 28 januari 2016 betreffende het verzoek tot ontslag van de huidige curator en benoeming van een opvolgend dan wel tijdelijke, tweede curator. Deze overweging en de daaraan voorafgaande rov. 4.7 en 4.8 luiden als volgt:
subonderdeel 2.1.1, aldus oordelend, buiten het debat van partijen en miskent het aldus het in art. 149 Rv Pro bepaalde, althans maakt het zich schuldig aan een verboden aanvulling van de feiten, door kennelijk zelf in het rechtbankdossier op zoek te gaan naar - niet door partijen aangevoerde en evenmin bekende - feiten en die vervolgens zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten, aan de beslissing ten grondslag te leggen.
subonderdeel 2.1.2schuldig aan het geven ven aan ontoelaatbare verrassingsbeslissing (schending van het beginsel van hoor en wederhoor ex art. 19 Rv Pro) door de feiten aan te vullen en op basis van die feiten de zaak af te doen en niet partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover alsnog uit te laten.
“(b)ij gebreke van andersluidende stukken”, tot overlegging waarvan na de e-mail van 14 juni 2016 überhaupt geen mogelijkheid meer heeft bestaan, een onvoldoende onderbouwing van haar (primaire) betoog heeft tegengeworpen.
subonderdeel 2.1.5is het hof bovendien uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting doordat het heeft geoordeeld dat mr. Kramer
“het primaire betoog onvoldoende (heeft) onderbouwd”. Volgens het subonderdeel heeft het hof immers miskend dat mr. Kramer niet meer of anders kan stellen dan dat in haar visie [verweerster 6] niet gekwalificeerd is, waarbij het dan op de weg van [verweerster 6] ligt om in het kader van haar stel- of betwistplicht met de bewuste papieren te onderbouwen dat zij aan de eisen van het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren voldoet, nu het om stukken gaat die exclusief tot het domein van [verweerster 6] behoren. Bij gebreke daarvan schrijft art. 149 Rv Pro dwingend voor dat als vaststaand moet worden aangenomen dat [verweerster 6] niet aan de kwaliteitseisen voldoet. Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, althans heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Dit oordeel vitieert volgens het subonderdeel ook de laatste volzin van rov. 4.9 waarin het hof heeft geoordeeld dat het niet aan het bewijsaanbod toekomt.
“omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om curator te worden”.
subonderdeel 2.2.3heeft het hof in de rov. 4.9-4.11 en het dictum miskend dat op grond van art. 1:383 lid 2 BW Pro de rechter bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene volgt, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel wordt, tenzij het tweede lid is toegepast, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerd partner dan wel een andere levensgezel tot curator benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur één van de ouders, kinderen, broers of zusters tot curator benoemd. Het hof heeft, nog steeds volgens het subonderdeel, bovendien niet gemotiveerd hoe het omgaat met de mening van betrokkene zelf (haar verklaring op 2 mei 2016) en had moeten toetsen aan haar wens, ook in een situatie waarin
wijzigingvan de persoon van de curator wordt gezocht, en een afwijking van de uitgesproken voorkeur in de beslissing voldoende moeten motiveren, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 2.2.4heeft het hof in rov. 4.10 miskend dat, indien inderdaad een onafhankelijk handelende professionele curator dient te worden aangesteld omdat, volgens het hof, anders dan betrokkene van mening is, de noodzaak daarvan genoegzaam is komen vast te staan, niet alleen betrokkene maar ook de beide partijen [verweerster 1], [verweerster 2] en [verweerster 5] enerzijds en [verweerster 4] en [verweerster 3] anderzijds met die nieuw te benoemen curator “door een deur moeten kunnen”. Het hof heeft in dit verband onbesproken gelaten hetgeen in het appelschrift onder F wordt gesteld, namelijk dat door toedoen van de curator de verhoudingen ernstig verstoord zijn geraakt (waarin volgens het subonderdeel ligt besloten dat onder leiding van een andere curator de verhoudingen ook weer kunnen worden vlot getrokken). Daaruit volgt dat [verweerster 6] niet, althans niet zonder meer aan de door het hof omschreven kwalificatie voldoet. Indien het hof dit niet heeft miskend heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
onderdeel 1klaagt [verweerster 2] dat de datum waarop de beschikking van 14 april 2016 (waarin het hof heeft beslist in de zaken met de zaaknummers 200.187.347/02 en 200.187.347/03) blijkens het slot daarvan zou zijn gegeven en in het openbaar zou zijn uitgesproken, niet juist kan zijn. In rov. 4.1 van die beschikking wordt immers gerefereerd aan een door mr. Kramer op 20 april 2016 ingediend stuk. Nu de beschikking niet vermeldt op welke datum deze in werkelijkheid is gegeven en in het openbaar is uitgesproken en zulks ook niet met voldoende mate van zekerheid is vast te stellen, moet het volgens het onderdeel ervoor worden gehouden dat de beschikking in ieder geval niet in het openbaar is uitgesproken. Het onderdeel betoogt dat de beschikking daarom nietig is. Die beschikking vormt weliswaar een uitwerking van de tijdens de mondelinge behandeling van 14 april 2016 gegeven beslissingen, maar uit het proces-verbaal van die mondelinge behandeling kan niet worden afgeleid dat deze beslissingen in het openbaar zijn uitgesproken. Die mondelinge behandeling vond blijkens het proces-verbaal immers plaats met gesloten deuren en uit dat proces-verbaal blijkt niet dat het hof ten behoeve van zijn uitspraak de beslotenheid van de zitting (tijdelijk) heeft opgeheven.
kan, maar (op straffe van niet-ontvankelijkheid) ook
moetworden ingesteld voordat de einduitspraak is gewezen.