De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne binnen Nederland, omdat hij een koerierster op Schiphol zou hebben opgewacht en haar zou helpen bij de invoer. Het hof kwalificeerde het afhalen van de koerierster als een uitvoeringshandeling van het delict. De verdachte ontkende een grote rol te hebben gehad en stelde dat zijn handelen slechts medeplichtigheid betrof.
De Hoge Raad herhaalt eerdere jurisprudentie waarin is gesteld dat medeplegen doorgaans een gezamenlijke uitvoering van het delict vereist, en dat een geringe rol meestal medeplichtigheid betreft. In dit geval oordeelt de Hoge Raad dat de bewijsvoering onvoldoende is om het hofsoordeel dat sprake is van medeplegen te dragen. De verdachte had een beperkte rol, zonder grote intellectuele of materiële bijdrage aan de voorbereiding van het delict.
Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het afhalen van de koerierster een uitvoeringshandeling was die medeplegen rechtvaardigde. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling, waarbij ook medeplichtigheid in de tenlastelegging kan worden betrokken. Tevens is een overschrijding van de inzendtermijn geconstateerd, maar deze is gecompenseerd.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging van de rol van de verdachte en de juiste kwalificatie van deelneming bij drugssmokkelzaken.