De verdachte was door het hof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, wegens diefstal door twee of meer verenigde personen met braak. Tegen dit arrest werd cassatie ingesteld met drie deelklachten gericht op de strafmotivering.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de strafmotivering begrijpelijk en voldoende heeft gegeven. De vermeende onduidelijkheid over eerdere onherroepelijke veroordelingen van de verdachte blijkt feitelijk ongegrond. Ook is het hof terecht uitgegaan van recente veroordelingen met bijzondere voorwaarden, zonder dat dit aanleiding gaf om bijzondere voorwaarden aan de huidige straf te verbinden.
Ten slotte voldoet de strafmotivering aan de eisen van artikel 359, zesde lid, Sv, doordat het hof de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoon van de verdachte als motieven voor de strafoplegging heeft genoemd. De Hoge Raad ziet geen reden tot vernietiging en verwerpt het cassatieberoep.