Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
10 maart 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een bijzondere voorwaarde dat hij zich zou gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg/Jeugdreclassering. De Hoge Raad stelde vast dat het hof, gezien de meerderjarigheid van de verdachte ten tijde van het hoger beroep, slechts een reclasseringsinstelling toezicht kon laten houden conform art. 77aa, vierde lid, Sr en art. 14d, tweede lid, Sr.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit verzuim niet zelf kan herstellen en dat het aan het hof is om te beoordelen of het stellen van bijzondere voorwaarden nuttig en noodzakelijk is. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en afdoening van dat onderdeel.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot cassatie. De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 10 maart 2015.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.