ECLI:NL:PHR:2017:574
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt medeplegen bij gewelddadige diefstal met dodelijk schietincident in Rotterdam
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens een gewelddadige diefstal op 8 juni 2011 in Rotterdam, waarbij het slachtoffer overleed aan schotwonden. Het hof baseerde het bewijs mede op verklaringen van een medeverdachte die zich beroept op zijn verschoningsrecht, maar oordeelde dat deze verklaringen betrouwbaar waren en voldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen.
Het bewijs omvatte onder meer camerabeelden, forensisch onderzoek van vuurwapens en munitie, telefoongegevens die de aanwezigheid van de verdachte nabij de plaats delict bevestigen, en DNA-sporen op een flesje in de vluchtwagen. De verdachte was nauw betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de diefstal, en het hof oordeelde dat hij medepleger was, omdat hij bewust en nauw samenwerkte met de schutter.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de verklaringen van de medeverdachte niet als bewijs mochten worden gebruikt vanwege schending van het ondervragingsrecht (art. 6 EVRM Pro). Het hof had terecht geoordeeld dat de verklaringen niet van beslissende betekenis waren zonder steunbewijs en dat voldoende zelfstandig bewijs aanwezig was. Ook het middel dat de bijdrage van de verdachte onvoldoende was voor medeplegen werd verworpen, omdat zijn gedragingen een wezenlijke bijdrage vormden.
De Hoge Raad concludeert dat het hof zorgvuldig en voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld over de betrouwbaarheid van het bewijs en de kwalificatie van medeplegen. De cassatieberoepen worden verworpen, waarmee de veroordeling van zeven jaar gevangenisstraf standhoudt.
Uitkomst: De veroordeling tot zeven jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van diefstal met geweld en dodelijke afloop wordt bevestigd.