Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
tradervan [A] waaruit volgens haar blijkt dat [C] dat geld parallel van derden heeft ingeleend. De belanghebbende heeft het geld als kapitaal gestort in een deelneming, ofwel in augustus 2005 in haar deelneming [H] , ofwel in 2007 in haar deelneming [L] . Beide deelnemingen hebben kennelijk hun kapitaal gebruikt om (uiteindelijk) leningen te verstrekken aan de groepsmaatschappij [E] , die op haar beurt leningen aan derden heeft verstrekt.
tradervan [A] achtte het Hof in beginsel aannemelijk dat tegenover de door [C] aan de belanghebbende verstrekte lening één of meer leningen van derden aan [C] hebben gestaan. Omdat de Inspecteur die verklaring niet gemotiveerd heeft weersproken, zag het Hof geen noodzaak voor verder feitenonderzoek op dit punt en heeft hij schuldparallellie voldoende aannemelijk geacht, zodat de belanghebbende beroep toekomt op art. 10a(3)(a) en art. 10a(1) daarom niet in de weg staat aan aftrek van de aan [C] verschuldigde rente.
traderhet in art. 10a(3)(a) vereiste tegenbewijs heeft geleverd omdat (i) uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij schuldparallellie de motieven voor de gefinancierde rechtshandeling niet ter zake doen en (ii) de Inspecteur onvoldoende heeft weersproken dat uit de overgelegde verklaring volgt dat voldoende schuldparallellie bestaat. Ik acht het eerste oordeel rechtskundig onjuist en het tweede onvoldoende gemotiveerd.
safe havente creëren (waarin hij afziet van de dubbele toets) voor alle gevallen waarin de verbonden schuld ‘parallel’ loopt met externe financiering. Ik acht ’s Hofs bevestigende beantwoording van die vraag onjuist omdat (i) het verband tussen de interne en de externe lening mijns inziens veel nauwer moet zijn dan het Hof eist en (ii) het causale verband in belanghebbendes geval omgekeerd is aan de causaliteit die de wetgever voor ogen stond.
tax planningstructuur. De verbonden schuld is aangegaan omdat er al externe schulden waren; niet andersom. Ik meen daarom dat de parlementaire passages over ‘echte’ en ‘feitelijke’ derdenleningen en schuldparallellie niet over belanghebbendes geval gaan.
safe havenonder art. 10a(3)(a) als de verbonden schuld
gelijkgesteldkan worden met een rechtstreekse externe lening en dat is in casu niet het geval. De wetgever heeft verklaard dat ook indien lid 1 van art. 10a van toepassing is omdat – zoals in casu - ‘
rechtens’sprake is van een verbonden schuld, die toepasselijkheid door lid 3(a) wordt teruggenomen als de ‘
rechtens’interne lening “feitelijk is (…) aangegaan jegens een derde”. De wetgever heeft voorts verklaard, in verband met garantstellingen, dat ook als gesteld kan worden dat de lening ‘in feite’ verbonden is als gevolg van een verbonden garantie, de rente toch aftrekbaar is als het gaat om een ‘echte derdenlening,’ i.e. als de belastingplichtige hetzelfde bedrag ook zonder gelieerde garantie extern had kunnen lenen en de gelieerde garantie alleen dient om betere voorwaarden te krijgen. Rechtens noch feitelijk is dan sprake van een verbonden schuld.
safe haven, maar niet één die men al binnenvaart bij een zekere parallellie tussen interne en externe financiering. Het moet immers gaan om een ‘echte derdenlening’ of een lening die ‘feitelijk bij een derde is aangegaan’ (om een ‘doorgeefluik’) en daarom gelijkgesteld kan worden met een ‘echte derdenlening’. Kan dat niet, dan geldt de dubbele zakelijkheidstoets van art. 10a(3)(a) Wet Vpb. De parlementaire geschiedenis houdt mijns inziens niet in dat de (on)zakelijkheid van de rechtshandeling – in strijd met de wettekst - reeds irrelevant is als boekhoudkundig verband kan worden gelegd tussen interne en externe financiering (
tracing). Hoewel de wetsgeschiedenis inhoudt dat schuldidentiteit art. 10a kan uitschakelen, moeten daaraan mijns inziens strenge eisen worden gesteld omdat de tweede zakelijkheidseis van art. 10a(3)(a) Wet Vpb anders zinloos zou zijn. De verbonden schuld moet in alle opzichten behalve het rentepercentage gelijkgesteld kunnen worden aan een ‘echte’ derdenschuld. Kan dat niet – de vastgestelde feiten laten mijns inziens die conclusie niet toe - dan kan art. 10a weliswaar nog steeds uitgeschakeld worden, maar dan moet voldaan worden aan de dubbele zakelijkheidstoets van lid 3(a). De zakelijkheid van de verbonden lening kan dan volgen uit ‘parallellie’ met een externe lening of uit het gegeven dat (boekhoudkundige)
tracingmogelijk is (zoals in casu). Maar daarnaast moeten ook overwegend zakelijke redenen voor de gefinancierde verdachte rechtshandeling bestaan. Ook de (on)zakelijkheid van het doel van de storting had dus mijns inziens moeten worden onderzocht.
safe haven, dan acht ik ’s Hofs uitspraak onvoldoende gemotiveerd. Niet-begrijpelijk acht ik ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur de gestelde schuldparallellie onvoldoende weersproken zou hebben met de stelling dat ‘er (…) geen sprake is van parallelliteit tussen die leningen (verbonden leningen worden afgelost als belastingschuld is geëlimineerd).’ Uit de verklaring van de
tradervan [A] valt voorts slechts op te maken dat allerlei leningen van derden aan [C] boekhoudkundig te traceren waren naar lening(en) van [C] aan de belanghebbende. Er valt niet uit op te maken dat looptijd, aflossing, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan parallel liepen; eerder integendeel.
traderniet de conclusie kan dragen dat de belanghebbende voldoet aan de in het Besluit gestelde criteria voor schuldparallellie. Het Besluit houdt bovendien niet in dat voor de toepassing van art. 10a(3)(a) Wet Vpb de (on)zakelijkheid van de rechtshandeling irrelevant is als schuldparallellie bestaat. Dat zou ook zodanig haaks op de tekst van art. 10a(3)(a) staan dat die irrelevantie expliciet uit het beleidsbesluit zou moeten blijken om
contralegem vertrouwen te kunnen wekken. Dat is mijns inziens niet het geval. Ook het Besluit eist in onderdeel 2.1.4 een ‘echte derdenlening’ en gaat daarbij overigens uit van een zakelijke rechtshandeling (een externe overname).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
The spreadsheet for [X] B.V. reflects its history and shows how the loans from [C] [to; PJW] [X] B.V. were originally funded with a number of loans from individual outside investors and later with bonds (…).”
.”
3.Het geding in cassatie
niet-zakelijke motieven van de belanghebbende duidelijk blijken. De Staatssecretaris wijst op (i) ‘s Hofs eerdere uitspraak van 8 oktober 2015 waarin hij
fraus legisaannam, (ii) de parlementaire geschiedenis van art. 10a Wet Vpb, (iii) de onderdelen 2.1.2 en 2.1.3 het Besluit en (iv) uw recente arrest HR BNB 2016/197. [9] De
routingvan het geld via de belanghebbende in Nederland was niet zakelijk was, maar diende slechts creatie van aftrek van groepsrente om fiscaal voordeel mee te behalen. De vastgestelde feiten wijzen op het overwegende motief om met georkestreerde leningen al dan niet gekochte winsten weg te poetsen. De structuur via de belanghebbende is puur om fiscale redenen opgezet, zodat geen sprake kan zijn van rechtshandelingen en leningen waaraan in overwegende mate zakelijke motieven ten grondslag liggen. De leningen van [C] aan de belanghebbende kwamen steeds uiteindelijk bij [E] aan om aldaar gebruikt te worden voor de daadwerkelijke bancaire activiteiten van het concern. Zij liepen alleen boekhoudkundig via de belanghebbende en andere [A] vennootschappen en alleen zolang als nodig was om winsten weg te poetsen (U-bocht).
financiering. In casu is weliswaar zonder externe lening geen interne lening mogelijk, maar het omgekeerde geldt niet: de externe lening was er ook als er geen interne lening zou zijn. Dit volgt rechtstreeks uit de feitelijke vaststelling dat de interne lening onderdeel uitmaakt van de U-bocht in de route tussen de extern door [C] ingeleende gelden en de extern door [E] uitgezette gelden. Hieruit volgt dat de externe lening niet samenhangt met enige reële financieringsbehoefte in Nederland en dat de externe lening dus niet de vereiste samenhang heeft met de interne lening. Juist
diesamenhang bepaalt mede of de door de wetgever bedoelde parallellie tussen beide leningen bestaat. Is die samenhang er niet, dan is ook geen sprake van parallellie.
tax planningstructuur van [A] . Haar rechtshandelingen moeten in onderlinge samenhang beoordeeld worden. Zij is de leningen niet aangegaan om deelnemingen te kopen, maar alleen om de in deze deelnemingen aanwezige winsten fiscaal te elimineren. Zodra dat was gebeurd, werden de leningen afgelost. Van een reële financieringsbehoefte voor de aankoop van een deelneming (van Bosal-rente) was geen sprake.
mismatchopzoeken. Daadwerkelijke parallellie ontbreekt bij de creatie van de U-bocht tussen de extern door [C] ingeleende gelden en de extern door [E] uitgezette gelden. De litigieuze leningen aan de belanghebbende zijn slechts boekingen in rekening-courant die niet zijn uitgemond in daadwerkelijke geldstromen via bankrekeningen van de belanghebbende en de andere betrokken [A] vennootschappen.
mismatchin de weg staat op een beroep op door het Besluit gewekt vertrouwen. Onduidelijk is volgens belanghebbende overigens waarop de Staatssecretaris doelt met de term ‘mismatch’.
4.De wet, de wetsgeschiedenis en een beleidsbesluit
BNB 1996/3, niet aftrekbaar zijn.”
VN2006/5.15 neergelegde mogelijkheid dat de geldlening (‘schuld’ in de nieuwe bepaling) en de rechtshandeling zakelijk zijn, indien de geldlening uiteindelijk extern gefinancierd is en sprake is van zogenoemde parallelliteit tussen de geldlening en deze externe financiering. Deze leden vragen te bevestigen dat deze beleidsregel ook voor de onder het nieuwe artikel 10a begrepen situaties van toepassing blijft. Ook de leden van de fractie van de VVD vragen naar het buiten toepassing laten van artikel 10a bij uiteindelijke externe financiering. Tevens vragen de leden van de fractie van het CDA naar de mogelijkheid om de eis van parallelliteit te laten vallen.
5.Jurisprudentie
BNB 2005/169(hierna: het arrest
BNB2005/169), moet gelden dat bij de overname van derden van de aandelen in een vennootschap, het zakelijke karakter van de daartoe aangegane schuld is gegeven. Volgens het middel betekent dit dat met betrekking tot een zodanige schuld steeds aannemelijk is dat aan de schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen in de zin van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet.
BNB 1996/4, bevestigt dat aan een transactie weliswaar zakelijke beweegredenen ten grondslag kunnen liggen maar dat dit nog niet betekent dat bij de keuze van de uitvoering een onbeperkte keuzevrijheid bestaat.”
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 16).
BNB 2013/137). In zoverre kan het arrest
BNB 2005/169niet tot maatstaf dienen voor de toepassing van artikel 10a van de Wet. Het middel, dat een andere opvatting ingang wil doen vinden, faalt daarom.”
BNB 2014/79).
BNB 2015/165). In die zin maakt artikel 10a van de Wet door het niet in aftrek toelaten van verschuldigde rente een inbreuk op de vrijheid van belastingplichtigen bij het inrichten van hun financieringsstructuur.
(letter b)(compenserende heffing) Wet Vpb. U overwoog daarover:
V-N2013/19.19, punt 4.2.2) valt af te leiden dat de staatssecretaris parallelliteit tussen de leningen in dit geval niet zonder meer als ‘safe harbour’ aanmerkt (punt 4.2.2). Zie goed dat volgens de staatssecretaris een en ander via de tegenbewijsregeling van lid 3 verloopt. Ik leid uit het onderhavige Hoge Raad
-arrest echter af dat men bij parallel in- en doorlenen in het geheel niet meer aan art. 10a Wet VPB 1969 toekomt, zodat het beleid naar mijn mening in zoverre door de Hoge Raad is overruled (zie in dezelfde zin Marres in punt 13 van zijn noot bij dit arrest in
BNB 2016/197).”
6.Literatuur
BNB1996/6, waarin de interne schuld pas geruime tijd na het opnemen van de externe lening ontstond, maar waarin volgens de wetsgeschiedenis er desalniettemin sprake is van 'in overwegende mate zakelijke overwegingen'. Een ander voorbeeld is, mijns inziens, het geval waarbij de ene interne lening vervangen wordt door de andere interne lening. Men denke aan een geval waarin extern is geleend en binnen de groep is doorgeleend, en de interne schuld wordt afgelost voordat de externe schuld wordt afgelost. Indien de aldus vrijgekomen gelden voor de resterende looptijd aantoonbaar worden gebruikt voor een nieuwe interne lening, dan houdt ook die nieuwe interne lening voldoende verband met de externe schuld.”
7.Behandeling van het eerste middel (toepassing van art. 10a Wet Vpb)
tax capacityom die af te zetten tegen aftrek van rente op omgeleide leningen die onbelaste deelnemingsvoordelen financieren (exploitatie van het
Bosalgat). Het voornaamste verschil tussen de belanghebbende en de aangekochte winstvennootschappen uit de andere zaken lijkt te zijn dat belanghebbendes (vermogens)winsten (grotendeels) pas gemaakt zijn nádat zij al onderdeel was van de [A] groep. Zij was niet reeds bij aankoop in 2004 slechts een geldzak met een acute vennootschapsbelastingschuld, maar een draaiend houtvergassings(verhuur)bedrijf. Zij realiseerde (naast de
tax capacityvan de leasetermijnen) kennelijk haar
tax capacityvooral in 2007, toen de houtvergassingsinstallatie werd verkocht en een grote stille reserve werd gerealiseerd. Mogelijk heeft de fiscus dit verschil met de andere zaken niet tijdig onderkend en is daardoor belanghebbendes zaak gaan zwalken langs stellingen, argumenten en rechtsgronden die toegesneden waren op die andere zaken maar die niet (goed) pasten op haar geval. Haar zaak is er in elk geval niet overzichtelijker door geworden. De procedure ter zake van de belanghebbende over alle jaren 2005-2008 lijkt aldus voor de fiscus enigszins in het honderd te zijn gelopen. Ter zake van 2005-2007 valt daar voor hem mijns inziens niet veel aan te doen; zie de genoemde conclusie van 25 augustus 2016. Met de middelen 2, 3 en 4, die ook in de samenhangende zaken zijn aangevoerd voor de jaren 2005-2007 van de belanghebbend, gaat hij het volgens mij dus ook voor 2008 niet redden; zie de conclusie van 25 augustus 2016. Dan resteert middel 1 over de (rechtstreekse) toepassing van art. 10a Wet Vpb.
letter b(tegenbewijs door compenserende heffing), de dans van rechtstreekse toepassing van art. 10a ontspringt (hij stelt voor die jaren nog wel
frausart. 10a). Vanaf 2008 biedt
letter bde belastingplichtige echter geen
safe havenmeer, maar nog slechts een zakelijkheidsvermoeden dat de Inspecteur kan weerleggen door aannemelijk te maken dat de verbonden schuld
ofde daarmee verband houdende rechtshandeling niet overwegend zakelijk was. De bewijslast van de
onzakelijkheid van ofwel de schuld aan [C] , ofwel de storting in een deelneming (één van beide is genoeg), ligt bij toepassing van
letter bdus bij de Inspecteur (nadat de belanghebbende de compenserende heffing aannemelijk heeft gemaakt).
letter aaan rechtstreekse toepassing van art. 10a kan worden ontsnapt als aan de schuld aan [C]
ende daarmee verband houdende rechtshandeling overwegend zakelijke overwegingen ten grondslag hebben gelegen. De bewijslast van de
zakelijkheidvan
beideaspecten ligt dan bij de belanghebbende.
trader[B] het vereiste zakelijkheidsbewijs heeft geleverd omdat (i) uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij (voldoende) parallellie tussen de verbonden en een externe schuld art. 10a(1) niet van toepassing is en de (on)zakelijkheid van de motieven voor de storting in de deelneming niet ter zake doen en (ii) de Inspecteur onvoldoende heeft weersproken dat uit de overgelegde verklaring volgt dat de vereiste schuldparallellie bestaat.
safe havente creëren (waarin hij afziet van het volgens de tekst van art. 10a(3)(a) vereiste bewijs van zakelijkheid van de rechtshandeling) voor alle gevallen waarin de verbonden schuld (voldoende) ‘parallel’ loopt met externe financiering. Volgens het Hof ‘lijkt’ dat ‘in voorkomend geval’ zo te zijn. Hij heeft geconcludeerd ‘dat het (kennelijk) de bedoeling van de wetgever is geweest om in geval van externe financiering de aftrek van rente niet op grond van artikel 10a van de Wet te beperken.’ Die laatste conclusie is op zichzelf uiteraard juist, want uit de tekst van lid 1 blijkt dat art. 10a niet van toepassing is als er feitelijk noch rechtens een schuld aan een verbonden lichaam is. Het Hof verbindt daaraan echter de mijns inziens niet daaruit volgende conclusie – mede op basis van het vertrouwensbeginsel – dat de (on)zakelijkheid van de gefinancierde rechtshandeling niet ter zake doet als parallel extern is gefinancierd. Volgens het Hof ligt ‘de voorwaarde van parallelliteit (…) besloten in de met ingang van 1 januari 1997 geldende regeling van artikel 10a, derde lid, onderdeel a’. Ik begrijp dat aldus dat schuldparallellie volgens het Hof een
safe havenis onder art. 10a(3)(a). Schuldparallellie legt het Hof ten slotte aldus uit dat een ‘causaal (historisch) verband bestaat tussen de geldlening en de externe lening en dat de voorwaarden tussen die leningen vergelijkbaar zijn.’
safe havendie de wetsgeschiedenis inderdaad lijkt te bieden mijns inziens een (veel) nauwer verband tussen de interne en de externe financiering moet bestaan dan het Hof eist en (ii) het historische causale verband in belanghebbendes geval omgekeerd is aan de causaliteit die de wetgever voor ogen stond.
tax planningstructuur. De verbonden schulden zijn dus aangegaan omdat de externe er al waren; niet andersom. Ik meen daarom dat de boven geciteerde parlementaire passages over ‘echte’ en ‘feitelijke’ derdenleningen en over schuldparallellie niet over belanghebbendes geval gaan.
safe havenonder lid 3(a) als de verbonden schuld
gelijkgesteldkan worden met een rechtstreekse externe lening (waardoor feitelijk geen sprake meer is van een verbonden schuld en lid 1 dus materieel al niet meer van toepassing is) en de feiten laten die gevolgtrekking in casu niet toe.
rechtens’sprake is van een verbonden schuld (en van een besmette handeling), die toepasselijkheid door lid 3(a) wordt teruggenomen als de ‘
rechtens’interne en dus door lid 1 getroffen lening “feitelijk is (…) aangegaan jegens een derde”. De wetgever heeft voorts verklaard, in verband met garantstellingen (zie 4.10 hierboven), dat ook als mogelijk gesteld zou kunnen worden dat de lening ‘in feite’ verbonden is als gevolg van een verbonden garantie, de rente aftrekbaar is als het gaat om een ‘echte derdenlening,’ i.e. als de belastingplichtige hetzelfde bedrag ook zonder gelieerde garantie extern had kunnen lenen en de gelieerde garantie alleen dient om betere voorwaarden (lagere rente) te krijgen. Rechtens noch feitelijk is dan sprake van een verbonden schuld.
safe haventer zake van toepassing van art. 10(a)(3) Wet Vpb, maar anders dan het Hof, niet één die men reeds binnenvaart als zich een zekere parallellie tussen interne en externe financiering voordoet. Het moet immers gaan om een ‘echte derdenlening’ of een lening die ‘feitelijk bij een derde is aangegaan’, die dus
gelijkgesteld kan worden met een ‘echte derdenlening’ c.q. een situatie waarin de gelieerde crediteur slechts een willoos ‘doorgeefluik’ zonder eigen crediteurseigenschappen is (zie 4.10). Is dat niet het geval, dan geldt mijns inziens gewoon de dubbele zakelijkheidstoets van art. 10a(3)(a) Wet Vpb (of de toets van lid 3(b)). Uit de geciteerde wetsgeschiedenis volgt mijns inziens niet dat (on)zakelijkheid van de rechtshandeling irrelevant is als boekhoudkundig verband kan worden gelegd tussen interne financiering en externe financiering, zoals in casu. Ik merk op dat bij een bank wiens bedrijf bestaat uit het genieten van een marge tussen extern inlenen en extern uitlenen denkelijk desgewenst altijd wel een boekhoudkundig verband gelegd zal kunnen worden (
tracing) tussen externe leningen en de interne geleiding van die leningen langs groepsvennootschappen naar uiteindelijk externe debiteuren.
letter avan art. 10a(3) (dubbele zakelijkheidstoets), maar over
letter b(compenserende heffing) zoals letter b luidde vóórdat de Inspecteur vanaf 2008 tegenbewijs van onzakelijkheid kon leveren, zodat het er in HR BNB 2016/197 uiteindelijk om ging of ‘materieel’ sprake was van een compenserende heffing. Dat is een andere vraag dan die waar we thans mee zitten, zodat voor belanghebbendes geval wellicht niet zoveel uit HR BNB 2016/197 af te leiden valt, met name niet dat het verband tussen interne en externe financiering in die zaak voldoende zou zijn voor een
safe havenonder
letter a.
safe havenvereist is dat de verbonden lening en de externe lening ‘identiek’ zijn, maar dat zelfs die identiteit niet voldoende is als de band tussen de leningen kunstmatig tot stand wordt gebracht. Het is duidelijk dat de fiscus in belanghebbendes geval van mening is dat het om uiterst kunstmatig gedoe (een ‘U-bocht’) gaat.
nietnodig was om de (gehele) lening op te kunnen nemen). Kan dat niet, dan kan art. 10a weliswaar nog steeds uitgeschakeld worden, maar dan moet voldaan worden aan de dubbele zakelijkheidstoets van lid 3(a). De zakelijkheid van de verbonden lening kan dan volgen uit een (minder nauwe) ‘parallellie’ met een externe lening of uit het gegeven dat (boekhoudkundige)
tracingmogelijk is van externe financiering naar de verbonden schuld (zoals in casu). Maar daarnaast moeten alsdan ook overwegend zakelijke redenen voor de gefinancierde verdachte rechtshandeling bestaan.
Bosalgat te kunnen creëren en niet om [E] te financieren: een onzakelijke omleiding dus van de reeds bestaande financiering van [E] .
safe havenin art. 10a(3)(b) juist afschafte - de door hem in art. 10a(3)(a) wel degelijk geëiste zakelijkheid van de rechtshandeling irrelevant zou achten in gevallen waarin niet vaststaat dat de verbonden schuld zodanig vast zit aan een voor het concern als geheel externe schuld dat in wezen geen sprake meer is van een verbonden schuld. Ik meen dat de uit de parlementaire geschiedenis volgende
safe havenonder art. 10a(3)(a) alleen bedoeld is voor gevallen waarin art. 10a teleologisch niet van toepassing is omdat de schuld in wezen niet jegens een verbonden persoon is aangegaan.
traderniet de conclusie toelaten dat de door de belanghebbende bij [C] aangegane lening in alle opzichten behalve wellicht het rentepercentage gelijkgesteld kan worden met een door de belanghebbende rechtstreeks aangegane ‘echte derdenlening,’ geldt in casu de dubbele zakelijkheidstoets van art. 10a(3)(a) Wet Vpb, zodat ook de zakelijkheid (het doel) van de storting had moeten worden onderzocht.
safe havenonder art. 10a(3)(a) waarin het ontbreken van de door die bepaling geëiste zakelijke rechtshandeling niet ter zake doet), acht ik ’s Hofs uitspraak onvoldoende gemotiveerd. De Inspecteur heeft voor het Hof gesteld (zie 2.22 hierboven) dat
tracing). Er valt niet uit op te maken dat omvang, looptijd, aflossing, rentevergoeding en tijdstip van aangaan parallel liepen; eerder integendeel.
contralegem vertrouwen te kunnen wekken. Dat is mijns inziens niet het geval. Ook het Besluit eist in onderdeel 2.1.4 een ‘echte derdenlening’ en gaat daarbij overigens uit van een zakelijke rechtshandeling (een externe overname).