Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
elkeen behoefte van NAf. 5.300,00 per maand. Geconcludeerd moet worden dat de man gezien de hoogte van zijn inkomsten en de uitgaven, geen draagkracht heeft om een partneralimentatie aan de vrouw te betalen. De man betaalt immers nog steeds de aflossing voor de hypotheek ad NAf. 2.078,00 per maand verband houdend met de echtelijke woning, waarin de vrouw verblijft. Voorts voldoet de man bijdragen aan de jongmeerderjarigen van respectievelijk € 250,00 en $ 300,00 per maand en voldoet [hij] eveneens kosten van verzorging en opvoeding voor de minderjarige. Gezien de bijzondere omstandigheden van het geval zal desondanks worden bepaald dat de man - zij het voor een overgangsperiode - een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw blijft betalen. Door de echtscheiding is de vrouw namelijk plotseling in de positie komen te verkeren dat zij haar (fictieve) plaats op de loonlijst van het bedrijf van de man verliest. Geconstateerd is dat bij de vrouw sprake is van verdiencapaciteit die zij kan gaan realiseren. Ook daarvoor heeft zij enige tijd nodig. Bepaald zal daarom worden dat de man nog tot 1 juli 2015 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw voldoet van NAf. 2.000,00 per maand.”
partneralimentatieheeft de vrouw aangevoerd dat zij geen verdiencapaciteit heeft, omdat zij in het geheel geen werkervaring heeft en ook geen opleiding of diploma’s om betaald werk te kunnen krijgen. [6] Zij wordt dan ook niet aangenomen. Hieruit volgt reeds dat de vrouw behoeftig is, welke conclusie ook het GEA heeft getrokken. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de man voldoende draagkrachtig is om te kunnen bijdragen: dat blijkt, volgens de vrouw, daaruit dat hij als arts een eigen praktijk heeft, en dat hij de vrouw een inkomen uit de praktijk betaalde, waarvoor zij echter geen arbeid leverde. Op het moment dat zij uit elkaar gingen, heeft de man de vrouw ontslagen, volgens haar ten onrechte. [7] Volgens de vrouw kan de man haar dus het inkomen dat zij verdiende blijven betalen. Ook heeft de vrouw aangevoerd dat de man meer inkomsten heeft dan hij heeft opgegeven. Deze extra inkomsten zouden bestaan uit salaris voor zijn werkzaamheden als arts bij de [B]-groep en winsten uit zijn artsenpraktijk. [8] Dit alles zou kunnen worden afgeleid uit aanslagen en ingediende inkomstenbelastingaangiftes, die de man echter niet heeft overgelegd, wat tot zijn nadeel zou moeten strekken. [9] Volgens de vrouw heeft het GEA ten onrechte bij de beoordeling van de draagkracht van de man meegewogen dat hij de aflossing van de hypothecaire lening op de echtelijke woning betaalt. Deze woning dient namelijk zo snel mogelijk te worden verkocht, waarmee deze schuld zal zijn voldaan. [10] Tenslotte heeft de vrouw betwist dat de man, zoals hij heeft gesteld, betalingen doet aan de jongmeerderjarigen. [11]
kinderalimentatievolgens de vrouw ten onrechte afgewezen, nu het GEA immers een co-ouderschap heeft uitgesproken, waarbij het kind om de vier dagen bij de andere ouder verblijft. De vrouw heeft geen inkomsten, terwijl de behoefte van het kind door de vrouw is geschat op NAf 1.600,-, waaraan de man pro rata dient bij te dragen; nu de vrouw geen inkomsten geniet, bedraagt de pro rata bijdrage van de man NAf 1.600,-. Bij een latere akte heeft zij het geschatte bedrag nader onderbouwd. Het gaat onder meer om schoolgeld, kosten verbonden met buitenschoolse activiteiten, tennislessen, kleding en eten. Ook heeft de vrouw aangevoerd dat het minderjarige kind bij haar vader een hoge levensstandaard ervaart, die zij bij haar moeder ook verwacht. [12] Volgens de vrouw is het kind bijvoorbeeld gewend dat de airconditioning zowel overdag als ’s nachts aan staat, [13] hetgeen kosten meebrengt van NAf. 250,- per maand. [14] De kosten verbonden aan zowel naschoolse activiteiten als aan tennislessen bedragen volgens de vrouw voor ieder van beide NAf. 100,- per maand. [15]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1valt uiteen in twee subonderdelen, die met een rechtsklacht respectievelijk een motiveringsklacht opkomen tegen de beslissing omtrent de kinderalimentatie.
Onderdeel 2bestaat uit drie subonderdelen en is gericht tegen de beslissing omtrent partneralimentatie. Ik bespreek de beide onderdelen achtereenvolgens.
Subonderdeel 1.1klaagt dat de beslissing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof heeft miskend dat het op grond van de regeling van 1:392 e.v. BWC de actuele draagkracht en behoefte diende te onderzoeken en vervolgens een bijdrage diende vast te stellen.
Subonderdeel 1.2klaagt dat de motivering van het hof, dat de uitgangspositie ten opzichte van de beschikking in eerste aanleg niet is veranderd, niet voldoende begrijpelijk is, nu met meerdere gemotiveerde stellingen de juistheid van die uitgangspositie ter discussie is gesteld en het hof deze stellingen niet (kenbaar) in zijn motivering heeft betrokken. Nu in cassatie bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag van de juistheid van deze stellingen moet worden uitgegaan, is de beslissing van het hof dat de uitgangspositie ten opzichte van de beschikking van het GEA “zo goed als onveranderd” is, onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel. Het gaat om de volgende stellingen:
onderdeel 1stel ik voorop dat de omvang van een uitkering tot levensonderhoud van een minderjarig kind op grond van art. 1:397 BWC Pro, dat gelijkluidend is aan art. 1:397 van Pro het Nederlandse BW, [35] dient te worden bepaald aan de hand van behoefte en draagkracht. Bij een minderjarig kind bestaat de behoefte uit de kosten die worden gemaakt voor de opvoeding en verzorging van het kind, mede gelet op de welstand waarin de ouders leven. [36] Met draagkracht wordt bedoeld: in staat zijn ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde middelen waarover men kan beschikken te verschaffen. [37] Voor het toekennen van kinderalimentatie is niet vereist dat behoeftigheid (waarmee de situatie wordt bedoeld waarin iemand verkeert die onvoldoende eigen middelen heeft en deze ook in redelijkheid niet kan verwerven om te voorzien in het eigen levensonderhoud) wordt vastgesteld (art. 1:392 lid 2 BWC Pro). [38] Indien meer partijen onderhoudsplichtig zijn, hangt de omvang van ieders verplichting af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder ieders draagkracht en de bijzondere verhouding waarin ieder staat tot degene die onderhoud behoeft. Indien het gaat om kinderalimentatie die door ouders is verschuldigd, zal de omvang van ieders verplichting in beginsel moeten worden vastgesteld naar rato van ieders draagkracht (art. 1:404 lid 1 BWC Pro). [39]
onderdeel 1van het middel dienen tegen deze achtergrond besproken te worden.
ex nuncmoeten worden meegewogen.
ex nuncdiende te beoordelen. Binnen de grenzen van het door de daarop gerichte grieven [52] ontsloten gebied lag het verzoek tot kinderalimentatie bij het hof in volle omvang voor. Daarbij geldt bovendien dat de rechter de omvang van de draagkracht van de onderhoudsplichtigen en behoefte zelfstandig dient vast te stellen [53] en dat deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van de actuele omstandigheden. Het hof heeft echter beoordeeld of de beslissing van het GEA in voldoende mate recht doet aan de tussen partijen geldende omstandigheden en in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Het hof lijkt hiermee (tot op zekere hoogte) aansluiting te hebben gezocht bij de toets van art. 1:401 lid 1 BWC Pro, die voorziet in de mogelijkheid wijziging of intrekking van een bestaande alimentatieverplichting te verzoeken. [54] In die lezing heeft het hof een te strenge maatstaf aangelegd. Voor wijziging van alimentatie gelden namelijk strengere eisen dan voor vaststelling van alimentatie. Een verzoek tot wijziging van alimentatie kan met name worden toegewezen als de bestaande verplichting door een rechtens relevante verandering in omstandigheden (lid 1) of omdat van onjuiste gegevens is uitgegaan (lid 4), niet (langer) aan de wettelijke maatstaven voldoet, dat wil zeggen, dat deze geen recht doet aan de behoefte en draagkracht van de betrokkenen. De reikwijdte van art. 1:401 BWC Pro is daarmee beperkter dan die van het hoger beroep: een verzoek tot wijziging of intrekking ex art. 1:401 BWC Pro kan niet gebruikt worden om motiveringsgebreken in de eerdere beschikking aan de orde te stellen, terwijl het hoger beroep daartoe wel de mogelijkheid biedt. [55] In de genoemde lezing klaagt
subonderdeel 1.1dus terecht dat het hof een te stringente maatstaf heeft aangelegd.
ex nunc. Het hof heeft immers (zij het summier) de juistheid van de in eerste aanleg gegeven beschikking beoordeeld en daarbij de gestelde veranderingen (waaronder de geringe inkomsten van de vrouw en het verblijf van de minderjarige gedurende de vakantie) in zijn beoordeling betrokken. Bij die lezing kan ’s hofs oordeel echter om hierna te noemen redenen de toets der kritiek niet doorstaan. Zoals hiervoor is besproken (3.4), komt de feitenrechter weliswaar een ruime beoordelingsvrijheid toe bij de vaststelling en weging van factoren die de draagkracht en behoefte bepalen, maar dient het oordeel voldoende gemotiveerd te zijn om het begrijpelijk en controleerbaar te maken. [56] Dat betekent onder meer dat essentiële stellingen niet mogen worden gepasseerd.
Subonderdeel 1.2wijst mijns inziens terecht op een aantal stellingen dat door het hof niet kenbaar in zijn motivering is betrokken. Ik licht dat toe. In dat kader bespreek ik eerst de stellingen die betrekking hebben op de draagkracht van de vrouw (genoemd onder (b)) en de draagkracht van de man (genoemd onder (d)). Daarna (3.13 e.v.) bespreek ik de stellingen over de behoefte van de minderjarige (genoemd onder (a)) en de mate waarin de vrouw daarin kan bijdragen (genoemd onder (c)).
subonderdeel 1.2(stelling onder (b)). De vrouw verbindt hieraan de conclusie dat zij niet kan bijdragen in het levensonderhoud van het minderjarige kind. Het GEA heeft geoordeeld dat van haar een bijdrage kan worden verwacht en dat zij daarvoor dus over voldoende draagkracht beschikt (eindbeschikking 22 december 2014, rov. 2.4). De vrouw heeft hierover in hoger beroep gesteld dat zij geen tot zeer geringe verdiencapaciteit heeft en slechts beperkte eigen inkomsten heeft kunnen genereren, waarvan zij niet kan rondkomen, en dat zij in het geheel niet in staat is een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van de minderjarige. [57] Voor het hof bestond dus aanleiding om de draagkracht van de vrouw, mede in het licht van de stellingen aangaande haar verdiencapaciteit, te beoordelen. Uit de bestreden overweging blijkt niet kenbaar dat het hof dat heeft gedaan. Het hof heeft wel in aanmerking genomen dat er een verandering in de omstandigheden is opgetreden in die zin dat de vrouw een eigen inkomen is gaan verdienen. Mocht het hof hebben bedoeld dat daaruit blijkt dat zij over verdiencapaciteit beschikt, zodat het oordeel van het GEA dat zij voldoende draagkrachtig is in stand kan blijven, dan is dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk; de vrouw heeft immers gesteld dat zij van haar eigen inkomen niet kan rondkomen en in het geheel niet in staat is in de behoefte van het kind te voorzien. Nu het hof de stellingen van de vrouw met betrekking tot haar verdiencapaciteit niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken, is zijn oordeel dat de beschikking van het GEA in voldoende mate recht doet aan de tussen partijen geldende omstandigheden onvoldoende gemotiveerd.
Subonderdeel 1.2klaagt daar terecht over.
subonderdeel 1.2onder (d) ten slotte nog gewezen op haar stelling dat de man ten onrechte alleen loonslips en geen jaarrekeningen van zijn bedrijf heeft overgelegd. [59] Volgens de vrouw zou het hof die omstandigheid ten onrechte niet hebben meegewogen. Ook in zoverre acht ik de klacht gegrond. De vrouw heeft gemotiveerd gesteld dat deze jaarrekeningen noodzakelijk zijn om een goede beoordeling van de inkomsten en daarmee de draagkracht van de man te kunnen maken. [60] Uit het verloop van de procedure blijkt dat ook het hof deze gegevens van belang heeft geacht:
Subonderdeel 1.2klaagt ook daar terecht over.
Subonderdeel 1.2is dus ook in zoverre terecht voorgesteld.
Subonderdeel 2.1betoogt dat, voor zover de eindbeschikking van 16 augustus 2016 als de bedoelde ‘andere beslissing’ zou moeten worden beschouwd, dit rechtens onjuist is, nu het hof heeft miskend dat het een definitieve beslissing diende te geven;
Subonderdeel 2.2voert aan dat voor zover de beschikking zo zou moeten worden begrepen dat volgens het hof geen grond bestaat voor toekenning van een definitieve partneralimentatie, deze beslissing rechtens onjuist is, omdat het hof daartoe de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man had moeten vaststellen;
subonderdeel 2.3, het oordeel in dat geval onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen die de vrouw heeft ingenomen in verband met de in subonderdeel 1.2 onder (b) en (d) genoemde (essentiële) stellingen met betrekking tot de draagkracht van de man en de verdiencapaciteit van de vrouw.
subonderdelen 2.2 en 2.3.
Subonderdeel 2.2betoogt dat het hof niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Het subonderdeel noemt hiervoor dezelfde gronden als
subonderdeel 1.1(betreffende de kinderalimentatie).
Subonderdeel 2.2is mijns inziens dienovereenkomstig (om dezelfde redenen als subonderdeel 1.1) gegrond wanneer het hof aansluiting heeft gezocht bij de maatstaf van art. 1:401 lid 1 BWC Pro, die voorziet in de mogelijkheid wijziging of intrekking van een bestaande alimentatieverplichting te verzoeken (zie hiervoor 3.7). De beoordeling dient immers te geschieden op basis van de actuele draagkracht en behoefte.
ex nuncvan de draagkracht en behoefte dient plaats te vinden, dan is
subonderdeel 2.3(gedeeltelijk) gegrond. Ik licht dat toe.
subonderdelen 2.2 en 2.3– niet in stand kan blijven.
ex nuncaan de hand van actuele omstandigheden van de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw dienen plaats te vinden. In dat kader zal acht moeten worden geslagen op het betoog van de vrouw dat bij de vaststelling van haar behoefte rekening moet worden gehouden met de levensstandaard van partijen tijdens hun huwelijk, [67] haar stelling dat zij slechts beperkt in staat is verdiencapaciteit te realiseren [68] en haar betoog dat de draagkracht van de man, gezien zijn inkomsten en uitgaven, groter is dan hij heeft doen voorkomen. [69]
subonderdeel 2.1ook hierover wordt geklaagd, is het terecht voorgesteld.
onderdeel 2is dus grotendeels terecht voorgesteld.
onderdeel 1als
onderdeel 2in belangrijke mate doel treffen, strekt de conclusie tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing. Na terugwijzing zal beoordeling van het verzoek van de vrouw tot toekenning van kinderalimentatie moeten plaatsvinden in het licht van de stellingen van partijen met betrekking tot de draagkracht van de man en de vrouw en de behoefte van het kind tegen de achtergrond van de gestelde mate van welstand. Na terugwijzing zal ook een nieuwe beslissing moeten worden genomen op het verzoek tot toekenning van partneralimentatie. Hierbij zal acht moeten worden geslagen op de stellingen van partijen ten aanzien van de draagkracht van de man en de behoefte en verdiencapaciteit van de vrouw.